ECLI:NL:CRVB:2009:BH6111
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onzorgvuldige voorbereiding
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 6 december 2005 in te trekken wegens onvoldoende medische grondslag. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat er sprake was van een carpaal tunnel syndroom aan beide handen, terwijl het UWV slechts rekening hield met het syndroom aan de rechterhand.
De Raad heeft het onderzoek heropend en het UWV gevraagd de gevolgen van deze medische vaststelling te beoordelen. Uit de medische rapportages bleek dat op de datum van intrekking inderdaad sprake was van een carpaal tunnel syndroom beiderzijds. De Raad oordeelde dat de medische grondslag van het besluit onzorgvuldig was en vernietigde het besluit van 10 maart 2006.
Desondanks achtte de Raad, gelet op de aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van november 2008, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Appellante kon volgens de FML nog drie functies vervullen waarmee zij een inkomen kon verwerven zonder relevant arbeidsongeschiktheidspercentage. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.