ECLI:NL:CRVB:2009:BH4519

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5117 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft een WAO-uitkering aangevraagd, maar het UWV weigerde deze omdat hij op de peildatum minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Na bezwaar en beroep vernietigde de rechtbank het besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Het hoger beroep richt zich tegen dit in stand laten van de rechtsgevolgen.

De Raad concludeert dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd. Hoewel appellant pijnklachten aan de vingertoppen heeft, waren deze in 2003 nog niet zodanig ernstig dat zij het arbeidsvermogen verder beperkten. Het UWV heeft bovendien voldoende gemotiveerd waarom de geselecteerde functies passend zijn.

De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De mededeling over een heupprothese is onvoldoende onderbouwd om beperkingen op de peildatum aan te nemen. De rechtsgevolgen van het besluit blijven gehandhaafd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit tot weigering van de WAO-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

07/5117 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2007, 06/2089 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. N.D. Groenewoud, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2009. Zoals tevoren was bericht zijn appellant en zijn gemachtigde niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 13 juni 2003 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat hij na afloop van de in dit geval geldende wachttijd op 11 januari 2003 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
1.2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 april 2004 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld, welk beroep bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 augustus 2005 gegrond is verklaard. Op 15 mei 2006 heeft het Uwv een nieuw besluit op het bezwaar genomen (hierna: het bestreden besluit). Daarbij is het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard.
1.3. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 12 januari 2003, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv niet in enig verlies aan verdiencapaciteit.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daarbij is het Uwv veroordeeld tot het vergoeden van de door appellant gemaakte proceskosten en het door hem betaalde griffierecht.
2.1. De rechtbank heeft overwogen dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd waarom de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant. Omdat een deel van de toelichting pas in de loop van de procedure is gegeven heeft de rechtbank echter het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op het feit dat de toelichting inmiddels wel voldoende is heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.
3. Het hoger beroep richt zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit. Aangevoerd is dat appellant meer beperkingen heeft ten aanzien van het hand- en vingergebruik dan het Uwv heeft aangenomen. Daarbij is erop gewezen dat hij ten gevolge van een amputatie van drie vingertopjes moeite heeft met de motoriek van de vingers en met kracht zetten. Er zijn voor appellant protheses voor de vingertoppen aangevraagd, maar die heeft hij nimmer ontvangen. Bij het aanvullend beroepschrift is een brief van de behandelend huidarts-fleboloog J.P. de Bliek van 3 juli 2007 overgelegd, waaruit blijkt dat appellant pijnklachten heeft aan de top van de derde vinger van de rechterhand. Voorts is aangevoerd dat de toelichting bij de functies uiterlijk in de beslissing op bezwaar had moeten worden opgenomen en dat de rechtbank de pas in beroep gegeven nadere toelichting buiten beschouwing had moeten laten. Daarbij is een beroep gedaan op de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 over de toepassing van de schattingsmethodiek met behulp van het zogenaamde claim beoordelings- en borgingssysteem (CBBS). In die uitspraken is overwogen dat besluiten die na 1 juli 2005 worden genomen aan de door de Raad gestelde hogere motiveringseisen moeten voldoen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd en onderschrijft de door de rechtbank hieromtrent gegeven overwegingen. De in hoger beroep ingezonden brief van de behandelend huidarts-fleboloog De Bliek heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. De bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar heeft in een rapport van 23 oktober 2007 op die brief gereageerd, waarbij zij opmerkt dat de pijnklachten en beperkingen dezelfde zijn als die bij het spreekuuronderzoek in januari 2006 door haar zijn beoordeeld. In de zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst van 27 april 2006 is rekening gehouden met beperkingen ten aanzien van het hand- en vingergebruik. De Raad wijst nog op een schrijven van de huisarts N.K. Mazloum van 26 maart 2006 waarin deze aangeeft dat zij appellant op 1 juni 2004 heeft verwezen naar de revalidatiearts in verband met pijn aan de vingertoppen. De Raad leidt hieruit af dat de pijnklachten pas in 2004 zodanig ernstig waren dat een verwijzing naar de revalidatiearts nodig was. Het vermoeden dat de pijnklachten in 2003 in mindere mate aanwezig waren wordt bevestigd door de opmerking in het aanvullend bezwaarschrift van 18 november 2003 van de toenmalige gemachtigde van appellant dat de rechterhand van betrokkene redelijk normaal functioneert maar dat hij door het gemis van de vingertoppen en nagels geen werkzaamheden kan verrichten waarbij kleine voorwerpen en gereedschap moeten worden vastgehouden. In dit bezwaarschrift wordt (nog) geen gewag gemaakt van pijnklachten aan de vingertoppen.
Op 10 januari 2009 is van de zijde van appellant nog een brief ingezonden waaruit blijkt dat appellant op 20 januari 2009 een heupprothese krijgt. De Raad overweegt dat de mededeling over de heupprothese zonder enige nadere toelichting is gedaan en dat in het dossier geen aanknopingspunten zijn te vinden om aan te nemen dat er op de datum in geding beperkingen hadden moeten gelden in verband met een afwijking aan de heupen.
4.2. De Raad onderschrijft ook het oordeel van de rechtbank dat in beroep voldoende is toegelicht waarom de voor appellant uit het CBBS geselecteerde functies voor hem geschikt zijn. Ten aanzien van de grief dat de nadere toelichting uiterlijk bij de beslissing op bezwaar had moeten worden gegeven en dat daarom de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand hadden mogen blijven, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 7 maart 2008, LJN BC7279 waarin is overwogen dat de in zijn uitspraken van 9 november 2004 neergelegde datum van 1 juni 2005 zijn doel en betekenis heeft verloren doordat het Uwv tot een structurele aanpassing van het CBBS is overgegaan.
4.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2009.
(get.) H. Bolt.
(get.) T.J. van der Torn.
JL