ECLI:NL:CRVB:2009:BH4460

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3803 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid ondanks chronische klachten

Appellante, een administratief medewerkster die uitviel wegens rug- en nekklachten, kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering van 80-100%. Het UWV beëindigde deze uitkering in 2006, waarna na bezwaar een herziening plaatsvond naar 25-35% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze herziening ongegrond, stellende dat de beperkingen voldoende waren meegewogen.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door chronische pijn en vermoeidheid niet in staat was tot arbeid, en overhandigde een psychiatrisch rapport dat haar beperkingen zou onderbouwen. De Raad vroeg de bezwaarverzekeringsarts om een reactie, die concludeerde dat het psychiatrisch rapport geen aanleiding gaf tot een ander medisch oordeel.

De Raad oordeelde dat de medische gegevens, inclusief het psychiatrisch rapport, onvoldoende grond boden om de beperkingen van appellante te onderschatten. De visie van de psychiater onderschreef juist het belang van gestructureerd werk passend bij haar beperkingen. De Raad zag geen reden een deskundige te benoemen en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante wordt afgewezen.

Uitspraak

07/3803 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 mei 2007, 07/15 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.J.H.M. Achten, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij gevoegd een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts M. Bakker van 13 september 2007.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2009. Appellante is met bericht vooraf niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is op 5 november 2001 ten gevolge van rug- en nekklachten uitgevallen voor haar werkzaamheden als administratief medewerkster voor 20 uren per week. Aan haar is met ingang van 11 november 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. Op basis van de bevindingen en conclusies uit een medisch en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 3 juli 2006 de WAO-uitkering van appellante per 4 september 2006 beëindigd. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 november 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en de WAO-uitkering met ingang van 27 december 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft als haar oordeel te kennen gegeven dat met de door de bezwaarverzekeringsarts M. Bakker aangegeven beperkingen voldoende rekening is gehouden met de klachten van appellante. Tevens heeft de rechtbank aangegeven geen aanleiding te zien om het onderzoek naar de gezondheidstoestand van appellante onzorgvuldig te achten of de uit dat onderzoek getrokken conclusies onjuist te achten. De door appellante in beroep overgelegde medische gegevens vormden voor de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de vaststelling van de belastbaarheid van appellante. Uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige H.F. Westerman van 24 oktober 2006 is naar het oordeel van de rechtbank vervolgens voldoende komen vast te staan dat appellante met ingang van 27 december 2006 in staat moet worden geacht tot het vervullen van de aan haar voorgehouden functies en dat het verlies aan verdiencapaciteit van appellante daarmee moet worden vastgesteld als vallende in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.
3. In hoger beroep heeft appellante zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak. Zij heeft zich wederom op het standpunt gesteld dat zij tengevolge van haar chronische pijnklachten en vermoeidheidsklachten buiten staat is loonvormende arbeid te verrichten. Appellante heeft daarbij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet is overgegaan tot benoeming van een deskundige. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante in hoger beroep een rapportage overgelegd van psychiater D.H. Kromdijk van 20 augustus 2007. Naar zij stelt, moet uit die rapportage worden afgeleid dat zij wel degelijk psychiatrische beperkingen heeft welke van invloed zijn op de inschakeling in arbeid.
4. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift aangegeven in de overgelegde rapportage van psychiater Kromdijk aanleiding te hebben gezien de bezwaarverzekeringsarts Bakker om een reactie te vragen. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapportage van 13 september 2007 geconcludeerd dat de rapportage van psychiater Kromdijk geen aanleiding geeft tot een ander medisch oordeel dan die welke aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, nu uit die rapportage niet blijkt van een persoonlijkheidsstoornis of andere psychiatrische aandoeningen. In haar ogen heeft zij bij de vaststelling van appellantes beperkingen in voldoende mate rekening gehouden met de mogelijkheden en beperkingen van appellante.
5. Het oordeel van de Raad.
5.1. Met de rechtbank ziet de Raad in de voorhanden zijnde medische gegevens, waaronder de door appellante in hoger beroep overgelegde rapportage van de psychiater Kromdijk, onvoldoende grond voor het oordeel dat bij het bestreden besluit de beperkingen van appellante zijn onderschat. Hetgeen door appellante is aangevoerd, acht de Raad onvoldoende om zich te kunnen stellen achter het door appellante ingenomen standpunt. Hij wijst er voorts op dat psychiater Kromdijk in de door appellante overgelegde rapportage de visie van de (bezwaar)verzekeringsarts onderschrijft, te weten dat het luisteren naar de klachten en het nemen van veel rust niet een herstel van de klachten bevordert, en aangeeft het van belang te achten dat appellante gestructureerd werk krijgt aangeboden, passend bij haar beperkingen. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts Bakker in haar rapportage van 13 september 2007 genoegzaam aannemelijk gemaakt dat de bevindingen en conclusies van psychiater Kromdijk niet tot meer of verdergaande beperkingen aanleiding geven. Op grond van deze overwegingen ziet de Raad geen aanleiding een deskundige te benoemen voor het verrichten van onderzoek.
5.2. In de voorhanden zijnde gegevens ziet de Raad voorts genoegzaam steun voor het oordeel dat de belasting in de aan appellante voorgehouden functies niet de belastbaarheid van appellante te boven gaat en dat deze functies voor appellante in medisch opzicht geschikt zijn. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, acht de Raad onvoldoende grond gelegen om tot een ander oordeel te komen.
5.3 Op grond van hetgeen hij onder 5.1 en 5.2 heeft overwogen, is de Raad van oordeel dat het hoger beroep niet slaagt, zodat wordt beslist als hieronder is vermeld.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2009.
(get.) H. Bolt.
(get.) T.J. van der Torn.
JL