ECLI:NL:CRVB:2009:BH4431

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/2072 AW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens termijnoverschrijding griffierecht ongegrond verklaard

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was voldaan. Appellant heeft vervolgens verzet aangetekend tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, stellende dat de Raad zelf schuld zou hebben aan de misvatting over de verschuldigdheid van het griffierecht.

De Raad heeft vastgesteld dat de betaling van het griffierecht pas op 29 juli 2008 op de rekening van de Raad is bijgeschreven, terwijl de uiterste betaaldatum 28 juli 2008 was. Hoewel appellant zich beroept op een brief van 6 juni 2008 waarin werd gesteld dat het griffierecht verviel, blijkt deze brief betrekking te hebben op een andere zaak, zodat een eventuele misvatting voor rekening van appellant komt.

De Raad concludeert dat appellant tijdig en duidelijk is herinnerd aan de betalingstermijn en dat het verzet daarom ongegrond is. Er wordt geen aanleiding gezien tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 februari 2009.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens te late betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

08/2072 AW-(Verzet)
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellant], thans zonder vaste woon- of verblijfplaats (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2008, 07/2318 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 18 september 2008 heeft de Raad het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen die uitspraak heeft mr. N.C. Maduro, advocaat te Utrecht, namens appellant verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 15 januari 2009. Partijen zijn niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij de uitspraak van de Raad van 18 september 2008 is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald.
Bij aangetekende brief van 30 juni 2008 is appellant - nadat hij eerder, bij brieven van 14 mei 2008, was uitgenodigd het verschuldigde griffierecht te betalen - erop gewezen dat het verschuldigde griffierecht alsnog binnen vier weken na dagtekening per kas dient te zijn voldaan dan wel op de bankrekening van de Raad dient te zijn bijgeschreven.
De Raad stelt vast dat de datum waarop het verschuldigde griffierecht per kas diende te zijn voldaan dan wel op de bankrekening van de Raad diende te zijn bijgeschreven, 28 juli 2008 is.
Het griffierecht is eerst op 29 juli 2008 op de bankrekening van de Raad bijgeschreven, zodat moet worden vastgesteld dat appellant de in de brief van 30 juni 2008 gestelde termijn heeft overschreden.
In verzet heeft appellant onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 16 oktober 2003, LJN AM5415, aangevoerd dat het aan de Raad te wijten is dat appellant in de veronderstelling is geraakt dat er geen griffierecht verschuldigd is, althans de overschrijding van de betalingstermijn heeft bewerkstelligd. Een en ander zou zijn ontstaan doordat de Raad appellant bij brief van 6 juni 2008 heeft laten weten dat de verschuldigdheid van het griffierecht vervalt. Daarnaast is aangevoerd dat de dag van verzending van de mededeling dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie dient te zijn gestort, niet vastgesteld kan worden.
De Raad stelt vast dat de brief van 6 juni 2008 waarop appellant doelt, betrekking heeft op een mededeling in de zaak met nummer 08/2073 AW en dat dit in deze brief vermeld staat. Een eventuele misvatting bij appellant omtrent de verschuldigdheid van het griffierecht in de onderhavige zaak dient dan ook voor zijn rekening te komen. Bovendien heeft de Raad bij de hiervoor genoemde aangetekende brief van 30 juni 2008, appellant eraan herinnerd dat de betaling van het griffierecht in de onderhavige zaak dient te zijn voldaan binnen vier weken na dagtekening (en dus niet: na verzending) van deze brief.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en A. Beuker-Tilstra als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2009.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD