ECLI:NL:CRVB:2009:BH4264
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, die sinds 1988 wegens psychische klachten een WAO-uitkering ontving, kreeg deze in 2005 ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was vastgesteld. Dit besluit was gebaseerd op een medisch onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundig rapport waarin functies werden geselecteerd die appellante met haar beperkingen kon verrichten.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij nog ernstige beperkingen had, onderbouwd met een verklaring van haar psychiater en haar verblijf in crisisopvang. De bezwaarverzekeringsarts handhaafde het oordeel dat de beperkingen niet tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid leidden.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege onvoldoende motivering van de geschiktheid van functies, maar handhaafde de rechtsgevolgen. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank en het UWV, omdat de medische en arbeidskundige grondslagen zorgvuldig waren vastgesteld en er geen reden was om aan het oordeel van de artsen te twijfelen. De Raad zag geen aanleiding om een deskundige in te schakelen en verwierp het beroep van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.