ECLI:NL:CRVB:2009:BH4234

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5571 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening WAJONG-uitspraak wegens ontbreken nieuwe feiten

Verzoekster heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een eerdere uitspraak waarin haar verzoek om een WAJONG-uitkering werd afgewezen. Zij stelde dat er een nieuw medisch onderzoek liep naar een stoornis die nieuw was in de medische wereld, wat een grond voor herziening zou kunnen vormen.

De Raad heeft het verzoekschrift en de bijlagen, evenals nadien ingezonden stukken, zorgvuldig beoordeeld. Daarbij is vastgesteld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden aanwezig zijn die voldoen aan de criteria van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het eerdere oordeel van de Raad, waarin werd vastgesteld dat verzoekster niet voldeed aan de voorwaarden voor toekenning van de WAJONG-uitkering, blijft daarmee ongewijzigd.

Het verzoek om herziening is derhalve afgewezen. Er is ook geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar en uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2009.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de WAJONG-uitspraak is afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

07/5571 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om herziening van:
[Verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 september 2007, 05/5920 WAJONG (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding in hoger beroep tussen:
verzoekster
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 5 september 2007 (05/5920 WAJONG).
Het Uwv heeft een reactie op het verzoekschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2009. Verzoekster en het Uwv zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Verzoekster heeft bij brief van 22 september 2007 met bijlagen verzocht om herziening op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met een bij de reumatologe lopend onderzoek naar een stoornis die nieuw is in de medische wereld. Bij brieven van 1 december 2007 en 6 december 2008 heeft zij haar verzoek nader toegelicht onder overlegging van stukken. Op 23 december 2008 is een brief van de behandelend fysiotherapeut T. van der Veen ingekomen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de Raad beslist op het hoger beroep van verzoekster tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 16 september 2005, 04/888. In het geding dat leidde tot de genoemde uitspraak van de rechtbank ging het om een weigering van het Uwv om aan verzoekster een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) toe te kennen. Verzoekster is geboren [in] 1949. De Raad heeft overwogen dat niet was gebleken van objectivering van medische arbeidsongeschiktheid noch van het doorlopen van de wettelijk voorgeschreven wachttijd van 52 weken in de periode van 30 oktober 1966 tot 30 oktober 1967. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat appellante vanaf haar 15e tot haar 22e jaar heeft gewerkt en dat het in het algemeen niet voor de hand ligt om van een persoon die een arbeidsverleden van enige betekenis heeft, niettemin aan te nemen dat hij destijds arbeidsongeschikt was. De Raad heeft de uitspraak van de rechtbank Dordrecht bevestigd.
3. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat het verzoekschrift en de bijlagen daarbij niet als feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb zijn aan te merken.
4. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb juncto artikel 21 van Pro de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
5. De Raad acht noch in het verzoekschrift en de bijlagen daarbij, noch in de nadien ingezonden stukken enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb gelegen. Daarom dient het verzoek om herziening te worden afgewezen.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2009.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) E.M. de Bree.
JL