ECLI:NL:CRVB:2009:BH4130
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- J. Riphagen
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk ondanks psychische beperkingen
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, ontving sinds 1998 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Het UWV trok haar uitkering in 2004 in, omdat zij volgens een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) geschikt werd geacht haar eigen werk te verrichten. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege procedurele tekortkomingen, maar liet de rechtsgevolgen in stand na een arbeidskundige heroverweging.
In hoger beroep richtte appellante zich tegen de vastgestelde medische beperkingen. De Raad liet een deskundige onderzoek doen, die een depressieve stoornis vaststelde die eerder niet was geconstateerd. Dit leidde tot een aangepaste FML met ernstige beperkingen. Desondanks concludeerde de bezwaararbeidsdeskundige dat appellante geschikt bleef voor haar werkzaamheden.
De Raad vond geen aanwijzingen dat de medische beperkingen onjuist waren vastgesteld en oordeelde dat appellante medisch geschikt was voor haar eigen werk, rekening houdend met de belastende aspecten. Daarom bevestigde de Raad het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellante medisch geschikt is voor haar eigen werk.