Art. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Herziening WAO-uitkering en vaststelling mate arbeidsongeschiktheid op 45-55%
Appellant, werkzaam als chef werkplaats, kreeg vanaf 24 maart 2004 een WAO-uitkering van 80% of meer wegens psychische klachten. Na een heronderzoek in 2005 stelde het UWV de uitkering bij naar 25-35% arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van januari 2005. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank vernietigde het besluit echter deels, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep betoogde appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en hij meer beperkt was dan aangenomen. Het UWV herzag daarop de mate van arbeidsongeschiktheid naar 45-55%, uitgaande van een volledige maatman van 46,2 uren per week. De Raad onderschreef de medische onderbouwing en oordeelde dat de resterende functies binnen de mogelijkheden van appellant liggen. Mogelijk ziekteverzuim werd als speculatief beoordeeld en staat de geschiktheid niet in de weg.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand waren gelaten en stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 45-55%. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op 45 tot 55% met ingang van 22 juni 2005.
Uitspraak
07/938 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 22 december 2006, 05/1388 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.F.A. Raatjes, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009. Appellant is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. P. Belopavlovic.
II. OVERWEGINGEN
1.1. De Raad gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.2. Appellant was werkzaam als chef werkplaats bij [naam bedrijf] te [vestigingsplaats] voor gemiddeld 46,2 uren per week. Hij is voor dat werk uitgevallen met psychische klachten. Met ingang van 24 maart 2004 is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
1.3. In 2005 heeft in het kader van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 2004 een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig heronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de resultaten van dat onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen, weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 januari 2005, geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in gangbare arbeid, waarvan hem voorbeelden zijn voorgehouden. Gelet hierop heeft het Uwv bij besluit van 27 april 2005 de WAO-uitkering van appellant herzien en met ingang van 22 juni 2005 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
1.4. Bij besluit van 27 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 22 juni 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.5. Het Uwv heeft in de fase van beroep naar aanleiding van de door appellant ingebrachte rapportage van dr. J.D. Visser, orthopedisch chirurg, aanleiding gezien de FML van 17 januari 2005 bij te stellen. Op grond van deze op 26 juli 2006 bijgestelde FML zijn de voor de schatting gebruikte functies herbeoordeeld. Eén van de functies is afgevallen, waardoor het percentage arbeidsongeschiktheid is verhoogd, maar de arbeidsongeschiktheidsklasse ongewijzigd 25 tot 35% is gebleven.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat, gelet op de in beroep gegeven nadere medische en arbeidskundige onderbouwing, de oorspronkelijke motivering van het bestreden besluit niet langer wordt gehandhaafd. De rechtbank heeft daarom het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De vervolgens te beantwoorden vraag of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven, heeft de rechtbank gelet op deze nadere motivering bevestigend beantwoord. De rechtbank heeft daartoe overwogen, dat gezien de diverse (bezwaar)verzekeringsgeneeskundige rapporten de FML van 26 juli 2006 moet worden beschouwd als een reële weergave van de beperkingen van appellant. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit dan ook op een zorgvuldige en toereikende medische grondslag. De rechtbank is voorts niet gebleken dat het resultaat van de functie(her)beoordeling naar aanleiding van de bijgestelde FML van 26 juli 2006 onjuist is.
3.1. Appellant is in hoger beroep gekomen van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij door de rechtbank is geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven. Hij heeft volhard in zijn stellingen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is, dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat hij daarom niet in staat is tot de werkzaamheden in de resterende aan hem voorgehouden functies.
3.2. Het Uwv heeft bij brief van 1 september 2008 te kennen gegeven dat gelet op de uitspraak van de Raad van 2 maart 2007 (LJN AZ9652) betreffende de maximering van de maatmanomvang, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant herziening behoeft. Het Uwv heeft uitgaande van een maatmanomvang van 46,2 uren per week het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 45,93%, zodat in afwijking van het bestreden besluit de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 22 juni 2005 dient te worden vastgesteld op 45 tot 55%.
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2. Met betrekking tot de medische grondslag kan de Raad zich volledig vinden in de overwegingen en het oordeel van de rechtbank en maakt hij die tot de zijne. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in feite een herhaling van hetgeen ook in beroep werd betoogd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit en is door de rechtbank, zoals uit het voorgaande volgt, op goede gronden weerlegd. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe. Bij wijze van verweer heeft het Uwv aangevoerd dat de revalidatiearts Haarsma in zijn rapport van 24 november 2005 heeft aangegeven dat appellant enigszins rugsparende werkzaamheden moet doen en met die werkzaamheden rekening moet houden met het feit dat hij niet geschikt is voor fysiek zwaar inspannend rugbelastend werk. Over ziekteverzuim wordt niet gerept. Ter zitting heeft het Uwv er nog op gewezen dat de huisarts zich in zijn brief van 14 juni 2006 terughoudend heeft opgesteld omtrent de belastbaarheid van appellant zoals deze is ingeschat door de revalidatiearts en dat hij diens conclusies niet heeft bestreden. De opmerking van de huisarts over mogelijk frequent arbeidsverzuim in de toekomst is niet onderbouwd en speculatief. Verder zijn de eerst in beroep naar voren gebrachte hartklachten meegewogen in het uiteindelijke standpunt van het Uwv. Deze hartklachten leiden tot een beperking voor zware lichamelijke arbeid, maar hiervoor was appellant ook al beperkt vanwege zijn rugklachten. Voor het stellen van extra beperkingen zoals door appellant voorgestaan is echter geen aanleiding. De Raad onderschrijft dit betoog van het Uwv.
4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen staat ook voor de Raad genoegzaam vast dat de (resterende) bij de schatting betrokken functies binnen de mogelijkheden van appellant liggen. Daarbij merkt de Raad op dat zo er al sprake is van een zeker ziekteverzuim zulks volgens vaste rechtspraak niet aan de weg staat aan de geschiktheid voor passende functies.
4.4. De Raad stelt vervolgens vast dat het Uwv met zijn in 3.2 vermelde schrijven van 1 september 2008 te kennen heeft gegeven dat de herziening van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 22 juni 2005 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% geen stand kan houden. Dit houdt in dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd als in rubriek III is omschreven.
4.5. Het Uwv is bij zijn nadere berekening van het percentage arbeidsongeschiktheid alsnog uitgegaan van de volledige omvang van de maatman van appellant. Appellant heeft tegen deze berekening als zodanig geen grieven naar voren gebracht. De Raad ziet geen reden de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 45 tot 55% voor onjuist te houden. Aangezien het Uwv met inachtneming van deze uitspraak geen ander besluit kan nemen dan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 22 juni 2005 te bepalen op 45 tot 55%, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 vanPro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand zijn gelaten;
Stelt de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 22 juni 2005 vast op 45 tot 55%;
Bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.