ECLI:NL:CRVB:2009:BH4121
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en vaststelling mate arbeidsongeschiktheid op 45-55%
Appellant, werkzaam als chef werkplaats, kreeg vanaf 24 maart 2004 een WAO-uitkering van 80% of meer wegens psychische klachten. Na een heronderzoek in 2005 stelde het UWV de uitkering bij naar 25-35% arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van januari 2005. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank vernietigde het besluit echter deels, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep betoogde appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en hij meer beperkt was dan aangenomen. Het UWV herzag daarop de mate van arbeidsongeschiktheid naar 45-55%, uitgaande van een volledige maatman van 46,2 uren per week. De Raad onderschreef de medische onderbouwing en oordeelde dat de resterende functies binnen de mogelijkheden van appellant liggen. Mogelijk ziekteverzuim werd als speculatief beoordeeld en staat de geschiktheid niet in de weg.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand waren gelaten en stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 45-55%. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op 45 tot 55% met ingang van 22 juni 2005.