ECLI:NL:CRVB:2009:BH4076

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2384 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de intrekking van haar WAO-uitkering door het UWV, omdat haar arbeidsongeschiktheid volgens haar hoger is dan vastgesteld. Het UWV had de uitkering ingetrokken op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens onvoldoende motivering van het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat de vereiste toelichting alsnog was verstrekt. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar medische beperkingen, met name aan hand, pols, hoofd en rug, onvoldoende zijn meegewogen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV de belastbaarheid juist heeft vastgesteld, mede op basis van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en informatie van de huisarts. Appellante heeft geen nieuwe medische stukken overgelegd die het oordeel zouden kunnen wijzigen. Ook is de arbeidskundige grondslag voldoende toegelicht.

Daarom bevestigt de Raad de uitspraak van de rechtbank en handhaaft de intrekking van de WAO-uitkering. Er zijn geen gronden om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt en de vastgestelde belastbaarheid juist is.

Uitspraak

07/2384 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank `s-Gravenhage van 13 maart 2007, 06/4174 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te `s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 14 januari 2009. Appellante is – met voorafgaand bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 28 juli 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 30 september 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% is.
1.2. Bij besluit van 24 april 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 28 juli 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven en bepalingen nopens de vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante gegeven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellantes medische beperkingen tot het verrichten van arbeid door het Uwv juist zijn vastgesteld. De rechtbank heeft evenwel het beroep gegrond geacht, omdat zij van oordeel was dat het bestreden besluit niet was voorzien van een zodanige deugdelijke toelichting en motivering dat op grond daarvan voldoende inzicht wordt geboden in de arbeidskundige grondslag van dat besluit. Omdat tijdens de behandeling van het beroep de vereiste toelichting en motivering alsnog waren verstrekt, heeft de rechtbank vervolgens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv haar medische beperkingen, met name die van haar hand, pols, hoofd en rug, heeft onderschat.
4.1. Ter beoordeling staat thans de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit en meer in het bijzonder de vraag of de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
4.2. De Raad heeft, evenals de rechtbank, onvoldoende aanknopingspunten in objectief-medische zin gevonden voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellante onjuist heeft vastgesteld. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat in het verzekeringsgeneeskundige onderzoek rekening is gehouden met de namens appellante ingebrachte informatie van de huisarts van 28 maart 2006. De Raad merkt hierbij op dat appellante in hoger beroep geen medische stukken in geding heeft gebracht waaruit volgt dat de voor haar vastgestelde belastbaarheid onjuist is.
4.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat de door het zogeheten Claimbeoordelings- en Borgingssysteem gegenereerde signaleringen bij de aan appellante voorgehouden functies in beroep van een genoegzame toelichting zijn voorzien. Uitgaande van een juiste vaststelling van de zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst van 10 juni 2005 moet worden aangenomen dat de werkzaamheden verbonden aan de aan appellante geduide functies haar belastbaarheid niet overschrijden. In hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht heeft de Raad geen reden gezien om tot een ander oordeel te komen.
5. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak kan worden bevestigd voor zover aangevochten.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.
(get.) C.P.M. van de Kerkhof.
(get.) M.A. van Amerongen.
CVG