ECLI:NL:CRVB:2009:BH3697

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6328 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Schattingsbesluit 1 oktober 2004
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks betwisting beperkingen appellant

Appellant, werkzaam als grafisch medewerker/modellenmaker, viel in 1999 uit wegens rugklachten en post-whiplashklachten, later aangevuld met diabetes en hoge bloeddruk. Na toekenning van een WAO-uitkering werd deze in 2006 herzien op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundig onderzoek, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd verlaagd van 80-100% naar 15-25%.

Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening, onderbouwd met medische rapporten waaronder van neuropsycholoog Kraaijenbrink en zenuwarts Busard, die een hogere mate van beperkingen en een mogelijke urenbeperking aanvoerden. Het UWV stelde echter dat de beperkingen adequaat waren verwerkt in de FML en dat de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellant vielen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij de medische grondslag van het besluit voldoende achtte. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de FML de beperkingen, inclusief tempo- en motoriekproblemen, voldoende weerspiegelt en dat het rapport van Busard onvoldoende objectieve gegevens bevat om meer beperkingen of een urenbeperking aan te nemen.

De Raad concludeerde dat de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden en dat de bezwaararbeidskundige een adequate toelichting heeft gegeven op eventuele overschrijdingen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

07/6328 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 4 oktober 2007, 07/278 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal, hoger beroep ingesteld, waarbij een rapport van 13 november 2007 van dr. H.L.S.M. Busard, zenuwarts, is overgelegd.
Bij brief van 15 november 2007 heeft voormelde gemachtigde enkele nadere stukken in geding gebracht.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend alsmede een rapport van M.A. Peerden, bezwaarverzekeringsarts.
Voormelde gemachtigde heeft bij brief van 5 februari 2008 een commentaar van dr. Busard voornoemd overgelegd alsmede enige nadere stukken.
Het Uwv heeft bij brief van 16 oktober 2008 een ontbrekende functiebeschrijving in geding gebracht.
Voormelde gemachtigde heeft bij brief van 14 november 2008 nog een schrijven van dr. Busard voornoemd aan de Raad toegezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2008. Appellant was aanwezig, bijgestaan door voormelde gemachtigde. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door W.R. Bos, werkzaam bij het Uwv.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, werkzaam als grafisch medewerker/modellenmaker, is op 1 februari 1999 uitgevallen met rugklachten en post-whiplashklachten (naderhand zijn ook diabetes en een te hoge bloeddruk vastgesteld). Na afloop van de wettelijke wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling ingevolge het per 1 oktober 2004 geldende Schattingsbesluit is hij in april 2006 onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv, die heeft vastgesteld dat er ten aanzien van appellant sprake is van benutbare arbeidsmogelijkheden en diens beperkingen heeft weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft een aantal voor appellant geschikte functies geselecteerd en het dientengevolge optredende verlies aan verdiencapaciteit gesteld op ruim 19% . Bij besluit van 31 mei 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 30 juli 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
1.2. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Tijdens de in het kader van dit bezwaar gehouden hoorzitting is namens appellant een rapport van 30 augustus 2006 van G. Kraaijenbrink, neuropsycholoog, overgelegd. De bezwaarverzekeringsarts Peerden voornoemd heeft blijkens diens rapport van 22 september 2006 naar aanleiding van laatstbedoeld rapport de FML enigszins aangescherpt. De bezwaararbeidsdeskundige J.P.M. Optekamp-van Kaam heeft de geselecteerde functies opnieuw bezien, enkele ervan laten vervallen en het verlies aan verdiensten vervolgens berekend op 30,5%. Bij besluit van 14 februari 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 30 juli 2006 vastgesteld op 25 tot 35%.
2. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is onder meer gesteld dat diens beperkingen zijn onderschat, waarbij met name is gewezen op het eerder vermelde rapport van G. Kraaijenbrink voornoemd. Tevens is aangegeven dat er gelet op de bij hem bestaande energetische klachten aanleiding bestaat tot het opnemen van een medische urenbeperking.
3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat uit het rapport van Kraaijenbrink niet is af te leiden dat appellant meer of andere beperkingen heeft dan opgenomen in de FML. De medische grondslag van het bestreden besluit is volgens de rechtbank voldoende deugdelijk. Aangezien, volgens de rechtbank, geen arbeidskundige grieven waren aangevoerd is de rechtbank niet op dit aspect van het bestreden besluit ingegaan.
4. Namens appellant is in hoger beroep voornamelijk het eerder aangevoerde herhaald. Daarbij is tevens gewezen op het in hoger beroep overgelegde rapport van 13 november 2007 van dr. Busard voornoemd. Appellant ziet daarin voldoende basis tot het aannemen van een urenbeperking.
5.1. De Raad oordeelt als volgt.
5.2. De Raad kan hetgeen door de rechtbank omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit is overwogen onderschrijven. Met de door G. Kraaijenbrink genoemde problemen op het gebied van tempo en motoriek is in de bijgestelde FML voldoende rekening gehouden. Aan een aantal van de andere door hem genoemde beperkingen wordt, zoals de bezwaarverzekeringsarts Peerden heeft toegelicht, tegemoetgekomen door de in het CBBS-systeem gehanteerde relatief lage normaalwaarden. Het rapport van dr. Busard doet aan het voorgaande niet af. Daargelaten dat deze arts kennelijk een ander arbeidsongeschiktheidscriterium hanteert dan het wettelijke en dat hij appellant niet zelf heeft onderzocht, kunnen uit zijn rapport te weinig objectiveerbare gegevens worden gedestilleerd om op basis daarvan tot het aannemen van meer beperkingen of het stellen van een urenbeperking te concluderen.
5.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de ten aanzien van appellant door het Uwv in aanmerking genomen beperkingen, stelt de Raad vast dat de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet te boven gaan. Door de bezwaararbeidskundige is in haar rapport van 19 januari 2007 een voldoende adequate toelichting gegeven op de signaleringen met betrekking tot de eventuele overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant.
5.4. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2009.
(get.) J. Riphagen.
(get.) I.R.A. van Raaij.
KR