ECLI:NL:CRVB:2009:BH1938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van het vervallen recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster via uitzendbureaus, meldde zich ziek terwijl zij een WW-uitkering ontving. Na medisch onderzoek door verzekeringsartsen werd geconcludeerd dat zij geschikt was voor haar laatst verrichte arbeid, namelijk schoonmaakwerk van 23 uur per week. Het UWV beëindigde daarop het recht op ziekengeld per 22 juni 2006 en later per 28 augustus 2006.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar de bezwaarverzekeringsartsen concludeerden dat haar klachten geen reden waren voor arbeidsongeschiktheid. De Raad vond het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig en stelde vast dat appellante geen medische stukken had overgelegd ter ondersteuning van haar standpunt.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraken. De Raad achtte de maatstaf arbeid correct vastgesteld en vond geen aanleiding om af te wijken van de eerdere conclusies over geschiktheid voor arbeid.
Uitkomst: Het vervallen recht op ziekengeld wordt bevestigd omdat appellante geschikt is geacht voor haar arbeid.