ECLI:NL:CRVB:2009:BH1805
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 21 november 2005 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft en dat haar beperkingen zijn onderschat. Zij overhandigde aanvullende medische stukken van haar behandelend radioloog, Cesar-therapeute en huisarts en verzocht om benoeming van een deskundige. Tevens stelde zij vraagtekens bij de status van de verzekeringsarts die het onderzoek verrichtte.
De Raad oordeelde dat het onderzoek naar haar beperkingen zorgvuldig was verricht en dat de bevindingen correct waren vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De aanvullende medische stukken gaven geen aanleiding tot een andere beoordeling. Het UWV had bovendien voldoende aannemelijk gemaakt dat de betrokken arts een geregistreerd verzekeringsarts was. Daarom werd het verzoek tot benoeming van een deskundige afgewezen.
De Raad concludeerde dat appellante de functies die aan het besluit ten grondslag liggen, kan vervullen en dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het bezwaar ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.