ECLI:NL:CRVB:2009:BH1724
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Intrekking en herbeoordeling WAO-uitkering met aangepaste mate van arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker, kreeg sinds 1992 een WAO-uitkering wegens elleboogklachten met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na herbeoordeling in 2005 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 15%, waarna de uitkering werd ingetrokken per 18 mei 2006. Appellant maakte bezwaar en het UWV handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij vanwege elleboogklachten en psychische beperkingen niet geschikt was voor de hem voorgehouden functies en betwistte de berekening van het verlies aan verdiencapaciteit. Het UWV stelde bij een nieuw besluit de arbeidsongeschiktheid vast op 15-25%. De Raad oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen correct waren vastgesteld. De Raad onderschreef dat de functies passend waren en dat de arbeidskundige onderbouwing van het tweede besluit voldoende was.
De Raad vernietigde het eerste besluit wegens ondeugdelijke arbeidskundige grondslag en verklaarde het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het eerste besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd; het beroep tegen het tweede besluit wordt ongegrond verklaard.