ECLI:NL:CRVB:2009:BH1611

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2750 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 8:75 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaarschrift wegens niet tijdig indienen

Appellante maakte bezwaar tegen een besluit van het College van burgemeester en wethouders van Utrecht waarin haar uitkering op grond van de Wet werk en bijstand werd ingetrokken en terugvordering van bijstand werd opgelegd. Het bezwaarschrift werd echter na de wettelijke termijn van zes weken ingediend.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de dochter van appellante als gemachtigde optrad, maar geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding had aangevoerd. In hoger beroep voerde de gemachtigde aan dat zij overspannen was geweest, waardoor administratieve werkzaamheden bleven liggen, maar kon dit niet onderbouwen met medische stukken.

De Raad overwoog dat het handelen van de gemachtigde aan appellante moet worden toegerekend en dat geen verschoonbare termijnoverschrijding was vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Ook werd geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift bevestigd wegens niet tijdig indienen.

Uitspraak

07/2750 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 maart 2007, 06/3471 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, (hierna: College)
Datum uitspraak: 20 januari 2009.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is door haar dochter [naam dochter], wonende te [woonplaats], hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2008. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn, werkzaam bij de gemeente Utrecht.
II. OVERWEGINGEN
1. In geschil is of het College appellante bij besluit van 11 augustus 2006 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat appellante bij het maken van bezwaar de ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van zes weken niet in acht heeft genomen en dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs geoordeeld kan worden dat appellante niet in verzuim is geweest.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat de dochter van appellante als feitelijk zaakwaarnemer, en derhalve als gemachtigde van appellante, is opgetreden. De rechtbank heeft vastgesteld dat het door de dochter van appellante ingediende bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn is ingediend, terwijl niet gebleken is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
3. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat zij geruime tijd overspannen is geweest waardoor een aantal administratieve werkzaamheden, waaronder begrepen de correspondentie van haar moeder, is blijven liggen. Naar de mening van de gemachtigde van appellante mag appellante niet de dupe worden van haar nalatigheid.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat eerst na afloop van de bezwaartermijn bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 24 maart 2006, waarin appellante is medegedeeld dat haar uitkering op grond van de Wet werk en bijstand met ingang van 1 november 2004 is ingetrokken en dat de teveel betaalde bijstand over de periode 1 november 2004 tot en met 31 augustus 2005 wordt teruggevorderd tot een bedrag van € 3.799,99 bruto. Ook de Raad is ter zake niet gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding.
4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht is in essentie een herhaling van hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd is verworpen. Ook de Raad is van oordeel dat het handelen/nalaten van een gemachtigde dient te worden toegerekend aan degene van wie de belangen worden behartigd. De Raad merkt daarbij nog op dat de gemachtigde van appellante niet met behulp van objectieve (medische) stukken aannemelijk heeft gemaakt dat zij gedurende de gehele bezwaartermijn van zes weken niet in staat is geweest om ter sauvering van de termijn zelfs maar een pro forma bezwaarschrift in te dienen of een derde in te schakelen om dat voor haar te doen.
4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4.4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2009.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.
RB