ECLI:NL:CRVB:2009:BH1598
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geschiktheid voor arbeid ondanks medische beperkingen na WW-ziekmelding
Appellant, voormalig agrarisch medewerker, meldde zich ziek tijdens een WW-uitkering wegens rug-, been-, schouderklachten en hoofdpijn. Het UWV weigerde een WAO-uitkering toe te kennen, omdat appellant geschikt werd geacht voor arbeid die hij kon verrichten ondanks beperkingen. Na bezwaar en heronderzoek door een bezwaarverzekeringsarts, die ook medische informatie van behandelend psychiater, huisarts en fysiotherapeut meenam, werd bevestigd dat appellant geschikt was voor zijn arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het UWV-besluit ongegrond, wat appellant in hoger beroep aanvocht met het argument dat zijn medische beperkingen onderschat waren. De Centrale Raad overwoog dat onder 'zijn arbeid' wordt verstaan de functies die appellant in het kader van de WAO per 25 maart 2002 waren voorgehouden. Het medisch onderzoek was zorgvuldig en de nieuwe medische informatie bood geen nieuwe gezichtspunten.
De Raad concludeerde dat appellant terecht geschikt werd geacht voor zijn arbeid per 4 april 2006 en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 4 april 2006 geschikt is voor zijn arbeid en verklaart het beroep ongegrond.