ECLI:NL:CRVB:2009:BH1266
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens onjuiste adresinformatie onterecht verklaard
Appellant ontving vanaf 1 juli 2005 bijstand op grond van de WWB. Het College trok de bijstand per 1 december 2006 in wegens het verstrekken van onjuiste informatie over zijn woonadres. Dit besluit werd bevestigd door de voorzieningenrechter. Appellant stelde dat zijn verblijf op het nieuwe adres tijdelijk was en dat hij vanaf 28 november 2006 weer hoofdverblijf had op het bij het College bekende adres.
De Raad stelde vast dat dit werd bevestigd door een aantekening van de Thuiszorgorganisatie en een verklaring van 29 januari 2007. Hierdoor was het aannemelijk dat appellant tijdens de relevante periode (1-4 december 2006) zijn hoofdverblijf had op het bekende adres. Het besluit tot intrekking berustte daarom op een ondeugdelijke motivering en was in strijd met het motiveringsbeginsel uit de Awb.
De Raad vernietigde het besluit van 8 februari 2007 en herroept het besluit van 4 december 2006. Tevens veroordeelde de Raad het College tot vergoeding van proceskosten en wettelijke rente. De uitspraak benadrukt dat indien ondanks schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand kan worden vastgesteld, intrekking niet aan de orde is.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering is vernietigd en herroepen wegens ondeugdelijke motivering.