ECLI:NL:CRVB:2009:BH1262

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2461 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WWBArt. 53a WWBArt. 11 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens niet-nakomen medewerkingsverplichting bij huisbezoek

Appellante diende een aanvraag in voor bijstand als alleenstaande ouder, welke door het College werd afgewezen vanwege onvoldoende medewerking aan een huisbezoek. Appellante gaf slechts toegang tot de benedenverdieping, terwijl het College een volledig huisbezoek noodzakelijk achtte om de woon- en leefsituatie betrouwbaar vast te stellen.

De rechtbank oordeelde dat appellante de medewerkingsverplichting uit artikel 17 WWB Pro had geschonden, waardoor het recht op bijstand niet vastgesteld kon worden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar risicoprofiel geen redelijke grond bood voor het huisbezoek zonder haar toestemming.

De Raad overwoog dat het College op basis van concrete feiten, zoals de LAT-relatie en financiële verstrengeling met een partner, een redelijke grond had voor het huisbezoek. De weigering van appellante om volledige toegang te verlenen was onvoldoende gemotiveerd en woog niet op tegen het belang van het College.

Daarom bevestigde de Raad het oordeel van de rechtbank dat de aanvraag terecht was afgewezen wegens het niet nakomen van de medewerkingsverplichting. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand is terecht afgewezen wegens het niet volledig meewerken aan een noodzakelijk huisbezoek.

Uitspraak

07/2461 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10 april 2007, 06/2540 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn (hierna: College).
Datum uitspraak: 8 januari 2009
I . PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2008. Namens appellante is verschenen mr. L.A. van Kan, advocaat te Hoorn. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.R. Ooievaar, werkzaam bij de gemeente Hoorn.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2. Appellante heeft per 15 maart 2006 een aanvraag ingediend ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) om bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.3. Bij besluit van 18 april 2006 heeft het College, voor zover in hoger beroep nog relevant, deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante geen volledige medewerking heeft verleend aan een huisbezoek door enkel toegang te verschaffen tot de benedenverdieping. Aldus heeft het College het recht op bijstand niet kunnen vaststellen.
1.4. Bij besluit van 1 augustus 2006 heeft het College het tegen het besluit van 18 april 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - geoordeeld dat het College terecht de aanvraag van appellante heeft afgewezen op de grond dat, nu appellante niet heeft meegewerkt aan het voltooien van een noodzakelijk geacht huisbezoek, appellante de in artikel 17 van Pro de WWB neergelegde inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden en dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 11 april 2007 (LJN BA2436), samengevat, aangevoerd dat het enkele feit dat appellante behoort tot een bepaald risicoprofiel, namelijk de risicogroep van de gescheiden alleenstaande ouder, geen redelijke grond vormt om zonder toestemming medewerking te kunnen verlangen voor het afleggen van een huisbezoek. Dat deze medewerking door appellante niet volledig is verleend, kan appellante dus niet worden tegengeworpen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
4.2. Artikel 53a, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het college bevoegd is om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel voortzetting van bijstand.
4.3. Indien de belanghebbende de inlichtingen- of medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan naar vaste rechtspraak de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.
4.4. Eveneens volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek pas gevolgen worden verbonden indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is in gevallen als dit sprake indien op basis van concrete, objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene over zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.
4.5. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval zodanige grond aanwezig was. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellante, zoals ook blijkt uit haar brief van 16 mei 2006 aan de Sociale Dienst van de gemeente Hoorn, bij het intake gesprek heeft aangegeven een alleenstaande gescheiden ouder te zijn en een LAT-relatie te hebben met de heer [M.] (hierna: [M.]), die drie dagen per week bij haar verblijft alsmede dat zij het voornemen hebben om in augustus 2006 in het huwelijk te treden. Tevens kwam naar voren dat [M.] maandelijks geld overmaakte op de rekening van appellante, zodat er mogelijk sprake kon zijn van een financiële verstrengeling. Gelet op het bovenstaande bestond er voor het College een redelijke grond om in aansluiting op het intake gesprek op 4 april 2006 een huisbezoek af te leggen. Appellante heeft daarop - uiteindelijk - te kennen gegeven alleen toestemming te verlening voor het betreden van de benedenverdieping van haar woning en niet verder.
4.6. Naar het oordeel van de Raad heeft het College onder de gegeven omstandigheden van appellante kunnen verlangen dat zij medewerking verleende aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek in de gehele woning. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat in hetgeen appellante heeft aangevoerd ter afwering van een volledig huisbezoek - een afspraak bij haar huisarts meer dan een uur later - nog afgezien van de juistheid daarvan, niet van zodanig gewicht kan worden geacht dat daarvoor het belang van het College, om onmiddellijk de door appellante opgegeven woon- en leefsituatie te verifiëren, zou moeten wijken. De Raad voegt hieraan nog toe dat appellante in haar weigering heeft volhard, nadat haar was medegedeeld dat deze weigering tot gevolg kon hebben dat het recht op bijstand niet zou kunnen worden vastgesteld.
4.7. Gelet op het voorgaande heeft het College terecht appellante tegengeworpen dat zij niet heeft voldaan aan de op haar rustende medewerkingsverplichting door niet onmiddellijk een volledig onderzoek in haar woning mogelijk te maken hetgeen in haar geval noodzakelijk was om een zo betrouwbaar mogelijk beeld te verkrijgen van haar woon- en leefsituatie, met als gevolg dat het recht op bijstand van appellante niet was vast te stellen. De aanvraag om bijstand is derhalve terecht afgewezen.
4.8. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
4.9. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2009.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) B.E. Giesen.
IJ