ECLI:NL:CRVB:2009:BH1231

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1743 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering, die was gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 24 mei 2005 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het medisch onderzoek van het UWV zorgvuldig en volledig was uitgevoerd. De medische gegevens van de huisarts, neuroloog en psychiater van appellante waren betrokken en gaven geen aanleiding om de beperkingen van appellante anders te beoordelen dan de verzekeringsartsen hadden gedaan.

Appellante verzocht om benoeming van een medische deskundige, maar de Raad vond dit niet nodig omdat de ingediende medische stukken geen nieuwe relevante informatie bevatten. De Raad concludeerde dat er geen reden was om te twijfelen aan de geschiktheid van appellante voor de geduide functies.

De aangevallen uitspraak van de rechtbank Haarlem werd dan ook bevestigd en er was geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 7 januari 2009.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig medisch onderzoek.

Uitspraak

06/1743 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 februari 2006, 05/3841 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.Th. Bocxe, advocaat te Zaandam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft het Uwv rapportages van zijn bezwaarverzekeringsarts en zijn bezwaararbeidsdeskundige ingezonden.
Bij brief van 26 juni 2008 heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Appellante heeft stukken van medische aard ingezonden, waarop een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv heeft gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door
mr. Stoppelenburg, voornoemd. Het Uwv heeft zich niet doen vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 31 maart 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 24 mei 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% is.
1.2. Bij besluit van 29 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 maart 2005 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft er een volledig en voldoende zorgvuldig medisch onderzoek plaatsgevonden en zijn de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot de gezondheidssituatie van appellante niet onjuist. Ook de arbeidskundige basis van het bestreden besluit heeft de rechtbank deugdelijk geacht. De drie uiteindelijk resterende geduide functies
– productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie, opruimer/corveeër/schoonmaker en vleeswarenmaker/slachter/visverwerker – vallen naar het oordeel van de rechtbank binnen de door de verzekeringsarts opgestelde zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst van 3 maart 2005 en zijn dan ook geschikt te achten.
3. Appellante heeft in hoger beroep voornamelijk het eerder aangevoerde herhaald en informatie overgelegd van onder meer de thans behandelend neuroloog E.G.M. Couturier. Appellante verzoekt de Raad om benoeming van een deskundige.
4.1. De Raad oordeelt als volgt.
4.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad, evenals de rechtbank, geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies daarvan. De Raad is van oordeel dat niet is kunnen blijken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De beschikbare medische gegevens, afkomstig van appellantes huisarts, neuroloog en psychiater, bieden voor die opvatting van appellante geen steun. De bevindingen van deze artsen zijn overigens terecht door de verzekeringsartsen in hun beoordeling betrokken. Het is de Raad niet gebleken dat met die bevindingen niet of onvoldoende zou zijn rekening gehouden. De in hoger beroep overgelegde brief van de neuroloog Couturier van 13 februari 2008 bevat, zoals de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv naar het oordeel van de Raad met juistheid opmerkt, over de lichamelijke gesteldheid van appellante en de behandeling daarvan ten tijde van de in geding zijnde datum van 24 mei 2005 geen andere informatie dan reeds bij het Uwv bekend was. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding heeft gezien om een medische deskundige te benoemen voor het verrichten van nader onderzoek.
4.3. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen ziet de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd, met de rechtbank, geen reden om de geschiktheid van appellante voor de werkzaamheden verbonden aan de haar geduide functies in twijfel te trekken.
5. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2009.
(get.) J. Riphagen.
(get.) I.R.A. van Raaij.
CVG