ECLI:NL:CRVB:2009:BH1031
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing over ingangsdatum Wajong-uitkering zonder bijzonder geval
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan met een ingangsdatum van 22 december 2003, een jaar voorafgaand aan haar aanvraag van 22 december 2004. Het UWV kende de uitkering toe, maar appellante betwistte de ingangsdatum en stelde dat sprake was van een bijzonder geval waardoor de uitkering eerder had moeten ingaan.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat van haar en haar omgeving redelijkerwijs verwacht had mogen worden dat de aanvraag eerder was ingediend. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de hoofdregel is dat de uitkering niet eerder kan ingaan dan een jaar voorafgaand aan de aanvraag, tenzij sprake is van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 29, tweede lid, Wajong.
De Raad concludeerde dat appellante's moeder ook na haar meerderjarigheid bevoegdelijk haar belangen behartigde en dat van haar redelijkerwijs verwacht mocht worden dat zij de aanvraag eerder had gedaan. De medische situatie en het late stellen van de diagnose rechtvaardigen geen afwijking van de hoofdregel. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door A.T. de Kwaasteniet en uitgesproken op 19 januari 2009.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Wajong-uitkering niet eerder kan ingaan dan een jaar voor de aanvraag, omdat geen bijzonder geval is vastgesteld.