ECLI:NL:CRVB:2009:BH0949

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6056 WWB + 08-6058 WWB-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:86 AwbArt. 11 WWBArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstand wegens niet-gelijkstelling met Nederlander na beëindiging verblijfsvergunning

Verzoeker, houder van de Turkse nationaliteit, ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Deze bijstand werd ingetrokken per 7 februari 2008 omdat verzoeker niet langer als met een Nederlander gelijkgesteld kon worden beschouwd. Het bezwaar tegen deze intrekking werd ongegrond verklaard.

Verzoeker stelde dat hij binnen zes maanden na intrekking van zijn verblijfsvergunning een aanvraag om voortgezet verblijf had ingediend, waardoor hij gelijkgesteld zou moeten worden met een Nederlander. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de aanvraag niet tijdig was ingediend vóór het einde van de oorspronkelijke verblijfsvergunning en dat er geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding.

De Raad bevestigde dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor gelijkstelling zoals bedoeld in artikel 11, derde lid, van de WWB en het Besluit gelijkstelling vreemdelingen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en het hoger beroep slaagde niet. Ook werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander.

Uitspraak

08/6056 WWB
08/6058 WWB-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoeker] (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 27 augustus 2008, 08/696 en 08/697 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)
Datum uitspraak: 6 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Namens verzoeker heeft mr. Van Asperen tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2008. Voor verzoeker is verschenen mr. Van Asperen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Veen, werkzaam bij de gemeente Groningen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1.2. Ingevolge artikel 8:86 van Pro de Awb en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.1. Verzoeker, die de Turkse nationaliteit bezit, ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
2.2. Bij besluit van 18 maart 2008 is de bijstand van verzoeker met ingang van 7 februari 2008 ingetrokken omdat verzoeker met ingang van die datum niet langer met een Nederlander kan worden gelijkgesteld.
2.3. Bij besluit van 15 juli 2008 is het bezwaar tegen het besluit van 18 maart 2008 ongegrond verklaard.
3. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 15 juli 2008 ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
4. Verzoeker heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard.
5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
5.1. De voorzieningenrechter stelt eerst vast dat verzoeker niet kan worden aangemerkt als een met een Nederlander gelijkgestelde vreemdeling als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de WWB. Verzoeker heeft immers de Turkse nationaliteit en houdt geen rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de vreemdelingenwet 2000 (VW 2000).
5.2. Op grond van artikel 11, derde lid, van de WWB in verbinding met artikel 1 van Pro het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, IOAW, IOAZ en WWIK (hierna: het Besluit) wordt voor de toepassing van de WWB met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling, die na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden, vóór de beëindiging van het rechtmatig verblijf een aanvraag om voortgezette toelating heeft ingediend of tijdig bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, en l, van de Vw 2000. Deze gelijkstelling eindigt zodra onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist.
5.3. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de voorzieningenrechter gaat ervan uit, dat verzoeker tot 31 mei 2005 beschikte over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenote” en dat de intrekking van deze verblijfsvergunning bij besluit van 17 november 2006 door de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 februari 2008, nr. 200708457/1, in rechte onaantastbaar is geworden.
5.4. Verzoeker heeft op 11 mei 2007 bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een aanvraag om voortgezet verblijf ingediend met als doel arbeid in loondienst op grond van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EG-Turkije. Dit verzoek is bij besluit van 13 maart 2008 afgewezen en het tegen deze afwijzing gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 oktober 2008 ongegrond verklaard. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij met een Nederlander gelijkgesteld dient te worden omdat hij binnen een redelijke termijn van zes maanden na het besluit van 17 november 2006 tot intrekking van zijn verblijfsvergunning om voortgezet verblijf heeft verzocht.
5.5. Met de voorzieningenrechter van de rechtbank en het College is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit standpunt van verzoeker niet kan worden gevolgd. Verzoeker heeft immers niet voor het einde van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfstitel een aanvraag om voortgezet verblijf ingediend, evenmin is er sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hieruit volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de WWB en artikel 1 van Pro het Besluit. De omstandigheid dat verzoeker binnen zes maanden na het besluit tot intrekking van zijn oorspronkelijke verblijfsvergunning een verzoek om voortgezet verblijf heeft ingediend, maakt dit niet anders. Hierbij overweegt de voorzieningenrechter onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 27 maart 2007 (LJN BA1926) nog het volgende. Daargelaten de vraag of het verzoek om voortgezet verblijf binnen de redelijke termijn van zes maanden genoemd in de Vreemdelingencircualire 2000, onder B1/5.1, is ingediend, heeft dit volgens die circulaire slechts gevolgen voor de wijze van toetsing van dat verzoek. De voorzieningenrechter acht daarbij tevens van belang dat bij een eventuele inwilliging van dat verzoek de verblijfsvergunning niet met terugwerkende kracht zal worden verleend.
5.6. In hetgeen overigens door verzoeker is aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor een andersluidend oordeel.
5.7. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking. Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.
5.8. Voor de door verzoeker gevraagde schadevergoeding bestaat, gelet op het voorgaande, geen ruimte. Voor vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht en voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
in de hoofdzaak:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;
op het verzoek om voorlopige voorziening:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2009.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.
IJ