ECLI:NL:CRVB:2009:BH0949
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet-gelijkstelling met Nederlander na beëindiging verblijfsvergunning
Verzoeker, houder van de Turkse nationaliteit, ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Deze bijstand werd ingetrokken per 7 februari 2008 omdat verzoeker niet langer als met een Nederlander gelijkgesteld kon worden beschouwd. Het bezwaar tegen deze intrekking werd ongegrond verklaard.
Verzoeker stelde dat hij binnen zes maanden na intrekking van zijn verblijfsvergunning een aanvraag om voortgezet verblijf had ingediend, waardoor hij gelijkgesteld zou moeten worden met een Nederlander. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de aanvraag niet tijdig was ingediend vóór het einde van de oorspronkelijke verblijfsvergunning en dat er geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding.
De Raad bevestigde dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor gelijkstelling zoals bedoeld in artikel 11, derde lid, van de WWB en het Besluit gelijkstelling vreemdelingen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en het hoger beroep slaagde niet. Ook werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander.