ECLI:NL:CRVB:2009:BH0341
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking en terugvordering bijstand wegens onvoldoende feitelijke grondslag gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande ouder. Het College stelde na onderzoek vast dat zij samenwoonde met haar partner en besloot de bijstand vanaf 1998 tot 2004 in te trekken en terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
De Raad oordeelt dat het College onvoldoende feitelijke grondslag heeft voor de periode van 1 januari 1998 tot 12 juni 2003 om te concluderen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Dit oordeel baseert de Raad op de verklaringen van appellante en derden, die niet eenduidig zijn over het hoofdverblijf in die periode.
Voor de periode van 12 juni 2003 tot 1 juni 2004 en de periode van 16 tot 30 november 2004 is wel vastgesteld dat sprake was van gezamenlijke huishouding. De Raad vernietigt het besluit van 16 maart 2006 in zijn geheel en beveelt het College een nieuw besluit te nemen, waarbij ook het verzoek om vergoeding van gemaakte kosten moet worden betrokken. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.