ECLI:NL:CRVB:2009:BG9822
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding zonder hulpbehoevendheid
Appellante ontving sinds 1993 een nabestaandenuitkering die per 1 juli 1996 werd omgezet in een Anw-uitkering. De Sociale verzekeringsbank (Svb) concludeerde na een huisbezoek dat appellante en haar partner vanaf februari 2005 een gezamenlijke huishouding voerden, waarop de uitkering per 1 februari 2005 werd ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat voor 14 oktober 2005 geen sprake was van gezamenlijke huishouding, omdat haar partner toen nog op andere adressen verbleef. De Raad oordeelde echter dat uit verklaringen, een checklist en een huisbezoek bleek dat de partner al medio februari 2005 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Tijdelijke afwezigheden deden hieraan niet af.
Verder werd vastgesteld dat er sprake was van wederzijdse zorg en gezamenlijke huishouding, zoals gezamenlijke boodschappen, maaltijden, verzorging tijdens ziekte en gezamenlijk gebruik van bezittingen. Er was geen sprake van hulpbehoevendheid bij appellante die de gezamenlijke huishouding rechtvaardigde. De intrekking van de uitkering per 1 maart 2005 was daarmee terecht en het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de nabestaandenuitkering per 1 maart 2005 wordt bevestigd.