ECLI:NL:CRVB:2008:BG9719
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlies recht op ziekengeld na medische beoordeling geschiktheid functies
Appellant meldde zich ziek in september 2005 met schouder- en beenklachten en ontving toen een gedeeltelijke WW- en WAO-uitkering. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, maar besloot in maart 2006 deze te beëindigen omdat appellant niet langer ongeschikt werd geacht voor zijn arbeid, waarbij zijn arbeid werd gedefinieerd als de functies die in 2003 in een WAO-beoordeling als passend waren vastgesteld.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat zijn schouderklachten ernstig en onherstelbaar waren, dat hij behandeld was met een injectie en dat de arbeidskundige beoordeling opnieuw had moeten plaatsvinden. Ook stelde hij dat hij niet voldeed aan het opleidingsniveau van de geduide functies.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat er geen aanwijzingen waren voor een toename van klachten die hem belemmerden de functies uit te oefenen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat bij de Ziektewetbeoordeling alleen de medische geschiktheid voor de in de WAO-beoordeling vastgestelde functies relevant is, niet de arbeidskundige aspecten zoals opleidingsniveau.
De Raad acht het medisch onderzoek zorgvuldig en concludeert dat appellant op en na 21 maart 2006 in staat is om ten minste één van de functies te verrichten. De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanaf 21 maart 2006 geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij medisch geschikt is voor de in de WAO-beoordeling vastgestelde functies.