ECLI:NL:CRVB:2008:BG9633
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging Ziektewetuitkering wegens niet tijdig indienen gronden
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn Ziektewetuitkering per 30 januari 2007 te beëindigen. Het bezwaar voldeed niet aan de wettelijke eisen omdat de gronden ontbraken. Het UWV gaf appellant de mogelijkheid om dit binnen één week te herstellen. De brief waarin dit werd meegedeeld, werd eerst naar het woonadres gestuurd, maar nadat appellant aangaf deze niet te hebben ontvangen, werd de brief op 20 februari 2007 naar zijn postbusadres verzonden.
Appellant ontving deze brief echter nadat de hersteltermijn van één week al was verstreken en stelde dat hij telefonisch was geïnformeerd dat het indienen van gronden geen zin meer had. Hij voerde ook aan dat hij niet wist dat de hersteltermijn slechts één week bedroeg en dat de brief eerst naar het woonadres was gestuurd in plaats van naar de postbus.
De Raad oordeelde dat de hersteltermijn van één week niet onredelijk is voor Ziektewetgeschillen en dat het risico van het niet tijdig legen van de postbus voor appellant komt. Er was geen bewijs van telefonisch contact binnen de hersteltermijn en appellant had geen actie ondernomen. Daarom bevestigde de Raad het oordeel van de rechtbank dat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en wees het beroep af.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het beëindigen van de Ziektewetuitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de gronden en het risico van het niet tijdig legen van de postbus ligt bij appellant.