ECLI:NL:CRVB:2008:BG9621
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens juiste vaststelling belastbaarheid
Appellante werd in augustus 2002 wegens rugklachten ongeschikt voor haar werk als orderpicker. Na een wachttijd van 52 weken werd haar vanaf 9 augustus 2003 geen WAO-uitkering meer toegekend omdat zij geschikt werd geacht voor andere functies met passend loon. Op 11 oktober 2004 meldde zij zich ziek wegens toegenomen rugklachten vanuit een WW-uitkeringssituatie.
Het UWV besloot op 7 februari 2005 dat appellante geen recht meer had op ziekengeld omdat zij niet ongeschikt was voor de geselecteerde functies. Dit besluit werd op 25 juli 2005 gehandhaafd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, mede op basis van rapporten van een internist en een orthopedisch chirurg die de belastbaarheid bevestigden.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De medische rapporten tonen aan dat appellante op de datum in geding in staat was om fulltime te werken binnen de vastgestelde beperkingen. Haar stelling dat zij niet kon werken werd niet met medische gegevens onderbouwd. De Raad bevestigt daarom dat appellante terecht niet ongeschikt werd geacht en dat het recht op ziekengeld terecht is beëindigd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.