ECLI:NL:CRVB:2008:BG9526

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3347 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing

Appellante stelde in hoger beroep dat zij op 4 mei 2006 wegens ziekte of gebreken niet in staat was haar werk als medewerkster P&O gedurende 32 uur per week te verrichten. Zij heeft echter geen medische gegevens overgelegd die dit standpunt ondersteunen.

De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts hebben eerdere medische informatie van neuroloog J. Pasmans en de huisarts meegewogen. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat de klachten van appellante atypisch zijn en dat ondanks diverse specialistische onderzoeken geen duidelijk medisch objectiveerbare afwijkingen zijn gevonden.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het beroep van appellante tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering ongegrond is. Er zijn geen gronden voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak van de rechtbank Maastricht wordt bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 4 mei 2006 wegens onvoldoende medische onderbouwing.

Uitspraak

07/3347 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 mei 2007, 06/2356
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 24 december 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2008. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Huiskamp.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen.
2. De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen reden voor een ander oordeel dan de rechtbank. In hoger beroep heeft appellante geen medische gegevens overgelegd die haar standpunt onderbouwen dat zij op de datum hier in geding, 4 mei 2006, wegens ziekte of gebreken niet in staat was haar werk als medewerkster P&O gedurende 32 uur per week te verrichten. Daarbij overweegt de Raad dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts de informatie van neuroloog J. Pasmans van 5 mei 2003, waarbij een polikliniekbrief van 28 november 2002 is gevoegd, bij hun beoordeling hebben meegewogen. De bezwaarverzekeringsarts heeft ook de brief van de behandelend neuroloog van 21 november 2005, met de daarbij gevoegde bevindingen van het onderzoek van 28 augustus 2005 in haar beoordeling betrokken. De informatie van de huisarts van 19 juli 2002 en 16 mei 2003 ziet op de verwijzing naar deze neuroloog en bevat geen nieuwe informatie. Zoals blijkt uit de rapportage van 3 oktober 2006 heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat de klachten van appellante atypisch zijn en dat ondanks diverse specialistische onderzoeken geen duidelijk medisch objectiveerbare afwijkingen voor de klachten zijn gevonden. Ook de overige in hoger beroep overgelegde informatie biedt naar het oordeel van de Raad geen aanknopingspunten om deze conclusie van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden.
3. Hetgeen onder 2 is overwogen leidt tot de slotsom dat de rechtbank het beroep van appellante, gericht tegen de beëindiging van de uitkering ingevolge de Ziektewet per 4 mei 2006, terecht ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
4. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 december 2008.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) T.J. van der Torn.
KR