ECLI:NL:CRVB:2008:BG9523
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens onvoldoende medische onderbouwing arbeidsongeschiktheid
Appellante meldde zich op 1 september 2004 ziek vanwege borstkanker en ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Na een operatie en vervolgbehandelingen werd zij door verzekeringsartsen nog arbeidsongeschikt geacht, mede door psychische klachten. Op 9 februari 2006 stelde de verzekeringsarts echter vast dat appellante weer in staat was haar werk als caissière te verrichten.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) besloot daarom op 9 februari 2006 het recht op ziekengeld te beëindigen per 20 februari 2006. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar psychische klachten haar verhinderd hadden om haar werk te verrichten. De bezwaarverzekeringsarts heroverwoog het medisch dossier, inclusief informatie van de huisarts, en bevestigde het oordeel dat appellante vanaf 20 februari 2006 geschikt was voor arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij door psychische klachten niet kon werken, maar de Raad oordeelde dat de medische stukken dit niet bevestigen. Latere medische gegevens dateren van na de bestreden datum en kunnen het oordeel van de verzekeringsartsen niet weerleggen. De Raad bevestigt het bestreden besluit en acht het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en adequaat gemotiveerd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante vanaf 20 februari 2006 niet meer arbeidsongeschikt was en geen recht meer had op ziekengeld.