ECLI:NL:CRVB:2008:BG9522
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld wegens herstel volgens verzekeringsarts
Appellant meldde zich op 2 januari 2006 ziek wegens flauwvallen en zware hoofdpijn en ontving toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Voorheen werkte hij als vrachtwagenchauffeur. Op 27 maart 2006 bezocht appellant de verzekeringsarts die bij de huisarts informatie opvroeg. Indien geen oorzaak voor de collapsen werd gevonden, zou appellant op het eerstvolgende spreekuur hersteld worden verklaard. De huisarts verwees appellant naar een neuroloog die geen neurologische oorzaak vond.
Op 24 mei 2006 meldde appellant zich af voor het spreekuur wegens een nieuwe collaps met hoofdpijn. Op 8 juni 2006 werd hem door de verzekeringsarts meegedeeld dat hij met terugwerkende kracht per 24 mei 2006 hersteld werd verklaard en geen recht meer had op ziekengeld. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank Breda.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en het UWV dat appellant op 24 mei 2006 niet ziek was in de zin van de Ziektewet. De brief van de huisarts van januari 2007 en de behandeling bij de GGZ na die datum werpen geen nieuw licht op de situatie per 24 mei 2006. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij op die datum nog arbeidsongeschikt was. Het hoger beroep wordt daarom verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld wordt met ingang van 24 mei 2006 beëindigd.