ECLI:NL:CRVB:2008:BG8696
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Geen recht op kinderbijslag wegens onvoldoende maatschappelijke binding met Nederland na langdurig verblijf in buitenland
Appellant had jarenlang in Nederland gewoond, maar verbleef vanaf 2001 tot 2005 in detentie in Duitsland wegens een drugssmokkelveroordeling. Tijdens zijn afwezigheid zorgde zijn zus voor zijn zoon en ontving kinderbijslag. Na zijn terugkeer in het vierde kwartaal van 2005 woonde appellant met zijn zoon in de woning van zijn zus, die in 2006 terugkeerde naar Zweden. Appellant vroeg kinderbijslag aan voor de eerste twee kwartalen van 2006, maar de Sociale Verzekeringsbank weigerde dit.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat appellant geen verzekerd ingezetene was volgens artikel 6 AKW Pro omdat hij op de peildata nog te kort in Nederland verbleef en geen zelfstandige woonruimte had. De rechtbank vond dat appellant het leven in Nederland nog niet volledig had opgepakt en dat de sociale en economische binding onvoldoende was.
In hoger beroep benadrukte appellant zijn langdurige eerdere verblijf in Nederland, Nederlandse nationaliteit, voogdij over zijn zoon en het feit dat hij woonruimte bij zijn zus had. De Raad volgde echter de rechtbank en de Svb, stellende dat de juridische binding weliswaar aanwezig was, maar de economische en sociale binding onvoldoende. De detentie en korte periode na terugkeer maakten dat het maatschappelijk leven nog niet volledig was hernomen.
De Raad bevestigde daarom de geweigerde kinderbijslag en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op kinderbijslag over het eerste en tweede kwartaal van 2006 wegens onvoldoende binding met Nederland.