ECLI:NL:CRVB:2008:BG8540

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2246 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante was het niet eens met het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering in te trekken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit. In hoger beroep stelde appellante dat haar lichamelijke en psychische beperkingen toenamen en dat zij volledig arbeidsongeschikt was.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV juist was. De verzekeringsartsen concludeerden dat appellante geschikt was voor licht fysiek werk en dat er geen aanwijzingen waren voor beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren of voor een duurbeperking. Ook was er geen objectieve oorzaak gevonden voor de vermoeidheidsklachten en was appellante niet bedlegerig.

Hoewel appellante later een Ziektewetuitkering ontving wegens psychische klachten, was dit na de datum van het bestreden besluit en deed dit niet af aan de juistheid van de eerdere beoordeling. De Raad vond dat het UWV voldoende had aangetoond dat de functies passend waren bij haar belastbaarheid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag voor arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

07/2246 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 maart 2007, 06/2947 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 december 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft bij schrijven van 25 mei 2007 nog enkele stukken in geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2008, waar beide partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Het Uwv heeft bij besluit van 7 februari 2006, gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 27 juni 2006, de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 2 april 2006 ingetrokken omdat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt is.
2. De rechtbank heeft zich in de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen vinden en heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat zij op en na de datum in geding in toenemende mate zodanige beperkingen in haar lichamelijke en psychische belastbaarheid ondervindt dat zij in haar persoonlijk en sociaal functioneren volledig beperkt is te achten en niet beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden ten aanzien van het verrichten van arbeid. Appellante heeft ter onderbouwing van haar stelling een op 21 mei 2007 gedateerd besluit van het Uwv overgelegd, waaruit blijkt dat haar met ingang van 15 september 2006 een uitkering ingevolge de Ziektewet is toegekend.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad stelt vooreerst vast dat appellante uitsluitend grieven heeft geformuleerd tegen de medische grondslag van het bestreden besluit.
4.2. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit. De verzekeringsartsen hebben na eigen onderzoek en na weging van informatie van de behandelaars vastgesteld dat de lichamelijke belastbaarheid van appellante ten gevolge van fibromyalgie was afgenomen en dat zij geschikt was te achten voor fysiek lichte functies. De verzekeringsartsen hebben bij hun onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante en hebben geen indicatie gezien voor een duurbeperking. De Raad is uit hetgeen appellante in hoger beroep heeft gesteld en uit de in het dossier aanwezige stukken van de medische behandelaars niet gebleken dat de medische beperkingen van appellante door het Uwv zijn miskend. De Raad merkt in dit verband op dat er op intern gebied geen afwijkingen vastgesteld konden worden door de behandelend internist-oncoloog dr. H.J. Bloemendal en dat (uit het huisartsenjournaal) voorts niet is gebleken dat appellante ten tijde in geding in behandeling was voor haar psychische klachten. Verder heeft appellante tijdens de hoorzitting aangegeven dat zij op geestelijk vlak geen structurele klachten had. De Raad kan zich verder vinden in het standpunt van het Uwv dat er geen indicatie is voor een duurbeperking of voor het bestaan van een situatie waarin duurzaam benutbare mogelijkheden ontbreken. De Raad overweegt in dit verband dat er voor de door appellante geclaimde vermoeidheidsklachten geen objectieve oorzaak gevonden kon worden en dat appellante verder niet bedlegerig is. De Raad overweegt tot slot dat het feit dat appellante met ingang van 15 september 2006 een uitkering ingevolge de Ziektewet is toegekend, niet afdoet aan het vooroverwogene omdat deze toekenning zijn reden vindt in het feit dat de psychische belastbaarheid van appellante na de datum in geding is afgenomen in verband met sinds medio september 2006 bestaande stemmings- en uitputtingsklachten in het kader van een depressieve stoornis.
4.3. De Raad is verder niet gebleken dat appellante de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet zou kunnen verrichten. Het Uwv heeft in beroep naar het oordeel van de Raad genoegzaam aangetoond dat deze functies berekend zijn voor de belastbaarheid van appellante.
5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 december 2008.
(get.) J. Riphagen.
(get.) I.R.A. van Raaij.
TM