ECLI:NL:CRVB:2008:BG8435
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens onvoldoende binding met Nederland
Appellant, een Nederlandse staatsburger van Surinaamse afkomst, vroeg kinderbijslag aan vanaf het tweede kwartaal van 2006. Hij en zijn partner werkten en woonden onmiskenbaar in Suriname, waar ook hun inkomen werd verdiend en een bedrijfswoning aanwezig was. De kinderen verbleven in Nederland bij familie.
De rechtbank Arnhem oordeelde dat appellant ondanks zijn Nederlandse nationaliteit niet als verzekerd ingezetene van Nederland kon worden beschouwd vanwege onvoldoende sociale en economische binding met Nederland. De Raad onderschreef dit oordeel en benadrukte dat het middelpunt van het maatschappelijk leven van appellant en zijn partner zich niet in Nederland bevond.
Appellant voerde aan nauwe banden met Nederland te onderhouden, waaronder familie en kinderen die in Nederland verbleven, maar dit weerlegde de Raad. De Raad stelde vast dat de economische en sociale binding met Nederland te zwak was om kinderbijslag toe te kennen.
De Raad bevestigde daarmee de beslissing van de Sociale Verzekeringsbank en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid van cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending van het arrest.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens onvoldoende binding met Nederland.