ECLI:NL:CRVB:2008:BG8397
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende onderbouwde beperkingen
Appellant, die sinds 1997 een WAO-uitkering ontving wegens psychische en neurologische klachten, werd in 2005 opnieuw onderzocht. De verzekeringsarts stelde vast dat appellant was gestopt met overmatig alcoholgebruik maar nog last had van evenwichtsstoornissen en beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren. Deze beperkingen werden vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Op basis van een arbeidskundig rapport werden geschikte functies voor appellant geduid, met een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Het UWV trok daarom de WAO-uitkering per 18 oktober 2005 in. Na bezwaar en aanvullend medisch onderzoek, waarbij een huisbezoek plaatsvond, werd het bezwaar gegrond verklaard maar de uitkering alsnog ingetrokken per 4 september 2006.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat geen nieuwe medische gegevens waren aangeleverd die de beperkingen zouden onderbouwen. In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de beperkingen in de FML juist waren vastgesteld en dat de geduide functies medisch geschikt waren. De intrekking van de WAO-uitkering werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn beperkingen zwaarder zijn dan vastgesteld.