ECLI:NL:CRVB:2008:BG8381
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kinderbijslag wegens onvoldoende sociale en economische binding met Nederland
Appellante, van Antilliaanse afkomst en in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, vestigde zich in april 2006 in Nederland om een koksopleiding te volgen en ontving studiefinanciering. Voor haar in Nederland verblijvende zoon vroeg zij kinderbijslag aan per het vierde kwartaal van 2006, maar deze aanvraag werd geweigerd omdat zij volgens de Sociale Verzekeringsbank (Svb) niet als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd.
De rechtbank ’s-Hertogenbosch oordeelde dat appellante weliswaar een sterke juridische binding met Nederland had vanwege haar nationaliteit, maar dat haar sociale en economische bindingen nog onvoldoende waren. Zo beschikte zij niet over zelfstandige woonruimte en was haar inkomen beperkt tot studiefinanciering. Haar maatschappelijke leven lag nog niet definitief in Nederland.
In hoger beroep benadrukte appellante dat haar familie grotendeels in Nederland woonde en dat zij een zelfstandige woonruimte had, gedoogd door een kennis. De Raad volgde echter de rechtbank en de Svb en stelde vast dat de sociale binding nog zwak was en de economische binding onvoldoende, mede omdat studiefinanciering geen stabiele inkomensbron is en er geen huurcontract op haar naam was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de afwijzing van de kinderbijslag en oordeelde dat het middelpunt van het maatschappelijk leven van appellante zich op de peildatum 1 oktober 2006 nog niet definitief in Nederland had verplaatst. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag kinderbijslag wordt afgewezen omdat appellante onvoldoende sociale en economische binding met Nederland had op de peildatum.