ECLI:NL:CRVB:2008:BG8375

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3301 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing arbeidsdeskundig onderzoek

Appellante ontving sinds 19 februari 2002 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid door allergieklachten en bekken- en rugklachten. Het UWV herbeoordeelde haar situatie en trok de uitkering per 18 april 2006 in, omdat zij geschikt werd geacht voor diverse functies zonder verlies van verdienvermogen.

In bezwaar en beroep voerde appellante aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar klachten als gevolg van de ziekte van Ménière. Hoewel medische rapporten en aanvullend onderzoek werden overgelegd, concludeerden de bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en de functies passend waren.

De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de klachten in de Functionele Mogelijkheden Lijst waren verwerkt. Echter, omdat het UWV pas in hoger beroep een afdoende arbeidskundige onderbouwing gaf, werd het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 Awb Pro. De rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing, maar de rechtsgevolgen blijven gehandhaafd.

Uitspraak

07/3301 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 april 2007, 06/3947
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 december 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft de heer W. Kaldenberg, werkzaam bij Kaldenberg fiscaal en juridisch adviseurs te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift met daarbij een rapport van bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink van 19 september 2007 ingediend. Nadien heeft het Uwv een rapport van bezwaararbeidsdeskundige P. de Zeeuw van 9 september 2008 en een nader rapport van bezwaarverzekeringsarts Weegink van 28 oktober 2008 ingediend.
De gemachtigde van appellante heeft bij brieven van 5 september 2007 en
14 oktober 2008 een aantal brieven van de behandelend sector overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, de heer Kaldenberg voornoemd. Het Uwv is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is op 20 februari 2001 uitgevallen voor haar werk als schoonmaakster als gevolg van allergieklachten. Na de bevalling van haar kind in juni 2001 heeft appellante tevens last gekregen van bekken- en rugklachten. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd werd appellante met ingang van 19 februari 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. In het kader van een herbeoordeling heeft verzekeringsarts W.A. Kooijman appellante op 1 december 2005 onderzocht. In zijn rapport van dezelfde datum heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat de belastbaarheid van het bekken en de lage rug van appellante is verminderd. Voorts wordt appellante als gevolg van depressieve klachten psychisch verminderd belastbaar geacht. De verzekeringsarts heeft de beperkingen in de belastbaarheid weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 1 december 2005. Op basis hiervan heeft arbeidsdeskundige M.L. Vlaander met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd. Blijkens zijn rapport van 17 februari 2006 heeft de arbeidsdeskundige appellante geschikt geacht voor de functies machinaal metaalbewerker, productiemedewerker confectie, kleermaken en elektronica monteur. Aan de hand van hetgeen appellante met deze functies kan verdienen, heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat geen sprake was van een verlies aan verdienvermogen. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 23 februari 2006 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 18 april 2006 ingetrokken.
1.3. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts Weegink appellante gezien tijdens de hoorzitting en medische informatie meegewogen van fysiotherapeut M.N. van den Handel van 3 mei 2006 en huisarts H. de Weerd van 21 augustus 2006. Bij de informatie van de huisarts waren tevens brieven gevoegd van KNO-arts H. Louwers van 13 april 2006, radioloog J.C.W. de Jonge van 30 november 2005 en Loods aan Boord-consulente D. Winkler, ongedateerd. Op grond van zijn onderzoeksbevindingen heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 29 augustus 2006 geconcludeerd dat de FML wegens een verminderd gehoor links en duizeligheid moet worden aangepast ten aanzien van lawaaibelasting en gevaaropleverende omstandigheden en daarnaast ten aanzien van trappenlopen. Het gewijzigde oordeel over de beperkingen is weergegeven in een FML van 29 augustus 2006. De bezwaararbeidsdeskundige De Zeeuw heeft in haar rapport van 4 september 2006 geconcludeerd dat - ondanks de aanvullende beperkingen - de geselecteerde functies onveranderd geschikt zijn. Bij besluit van 7 september 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 februari 2006 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van
7 september 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat de medische grondslag waarop dat besluit berust, stand kan houden. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd heeft de rechtbank geen redenen gezien om het medisch oordeel onjuist te achten. Daarbij is ondermeer overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts in de aangepaste FML van 29 augustus 2006 voldoende rekening heeft gehouden met de klachten van appellante die mogelijk met het Ménière-syndroom verband houden. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt. Gelet op het inkomen dat appellante in de voorgehouden functies kan verdienen acht de rechtbank de intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 18 april 2006 juist.
3. In hoger beroep heeft appellante haar reeds in beroep ingenomen standpunt herhaald, namelijk dat bij de medische beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten als gevolg van de ziekte van Ménière, naast haar rug- en bekkenklachten. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante - naast reeds in het dossier aanwezige medische gegevens - brieven overgelegd van haar huisarts van 24 augustus 2007 en 30 september 2008 en van haar KNO-arts van 3 juli 2008. In eerstgenoemde brief van de huisarts is sprake van medicatie voor het syndroom van Ménière. Uit de informatie van de KNO-arts van 3 juli 2008 blijkt dat appellante is doorverwezen voor nader onderzoek vanwege haar duizeligheidsklachten. Appellante acht zich voorts niet in staat de geselecteerde functies te verrichten vanwege haar beperkingen.
4.1. De Raad heeft evenmin als de rechtbank redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vaststelling van de bij appellante bestaande medische beperkingen en haar belastbaarheid voor arbeid ten tijde hier in geding. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in de FML van 29 augustus 2006 reeds voldoende rekening heeft gehouden met het verminderde gehoor en de duizeligheidsklachten van appellante door beperkingen vast te stellen ten aanzien van geluidsbelasting en gevaaropleverende omstandigheden. De vraag of de gehoor- en duizeligheidsklachten zijn toe te schrijven aan de ziekte van Ménière is niet meer van belang, nu uit de informatie van de behandelend sector niet valt op te maken dat door de bezwaarverzekeringsarts met de uit deze klachten voortvloeiende beperkingen onvoldoende rekening is gehouden. Ten aanzien van de in hoger beroep overgelegde brieven van de huisarts van 24 augustus 2007 en 30 september 2008 en van de KNO-arts van 3 juli 2008 is door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapporten van 19 september 2007 en 28 oktober 2008 gemotiveerd aangegeven dat deze behandelaars geen nieuwe gezichtspunten hebben aangedragen die van invloed zijn op de belastbaarheid van appellante op de datum in geding. Appellante heeft haar hoger beroep niet onderbouwd met andere medische gegevens.
4.2.1. In het in hoger beroep overgelegde rapport van 9 september 2008 heeft de bezwaararbeidsdeskundige de geselecteerde functies wat betreft de passendheid daarvan voor appellante in medisch opzicht van een nadere toelichting voorzien en vastgesteld dat alle functies onveranderd geschikt zijn te achten. De Raad is van oordeel dat met dit rapport de schatting alsnog is voorzien van een deugdelijke toelichting en motivering die voldoet aan de jurisprudentie van de Raad van 12 oktober 2006 (LJN AY9971) en 23 februari 2007 (LJN AZ9157).
4.2.2. Nu het Uwv eerst in hoger beroep een afdoende arbeidskundige onderbouwing voor het bestreden besluit heeft gegeven, vormt dit voor de Raad aanleiding het bestreden besluit - met instandlating van de rechtsgevolgen - te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevallen uitspraak moet eveneens worden vernietigd.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 december 2008.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) T.J. van der Torn.
KR