ECLI:NL:CRVB:2008:BG8359
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bezwaar
De appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, trok de WAO-uitkering van betrokkene in per 14 september 2005. Betrokkene diende op 2 september 2005 bezwaar in, maar dit werd door appellant niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene niet verplicht was om tijdens zijn verblijf in het buitenland een derde te machtigen om namens hem bezwaar te maken, en verklaarde het beroep gegrond. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat betrokkene zelf toereikende maatregelen had moeten treffen om tijdig bezwaar te maken, zeker omdat hij een besluit kon verwachten.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat volgens vaste jurisprudentie betrokkene verantwoordelijk is voor het treffen van adequate maatregelen tijdens afwezigheid om tijdig bezwaar te maken. Het feit dat betrokkene met toestemming in het buitenland verbleef en na terugkeer bezwaar maakte, vormt geen verschoonbare reden voor termijnoverschrijding.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De intrekking van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding van het bezwaar.