ECLI:NL:CRVB:2008:BG8335

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2190 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens voldoende arbeidsgeschiktheid ondanks rechterschouderproblematiek

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 4 juli 2005 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Zij voerde aan dat haar beperkingen, met name de rechterschouderproblematiek, uitgebreider waren dan vastgesteld door de bezwaarverzekeringsarts, waardoor het UWV onjuiste conclusies had getrokken over haar functionele mogelijkheden.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en deze uitspraak werd in hoger beroep bevestigd door de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat de medische gegevens van de huisarts en diverse specialisten, waaronder een reumatologe, neuroloog, neurochirurg en orthopedisch chirurg, voldoende steun boden aan de conclusie van het UWV dat appellante in staat was de haar voorgelegde functies te vervullen.

De Raad hechtte geen gewicht aan de eigen niet-medisch onderbouwde mening van appellante over haar gezondheidstoestand. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De intrekking van de WAO-uitkering werd daarmee bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 4 juli 2005 wordt bevestigd omdat appellante in staat was de voorgestelde functies te vervullen.

Uitspraak

07/2190 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 12 maart 2007, 06/48 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 19 december 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2008. Van de zijde van appellant is verschenen mr. Van Berkel, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer A.G.G. Schoonderbeek.
II. OVERWEGINGEN
1.1. De feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
1.2. Bij besluit van 3 mei 2005 heeft het Uwv appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk sinds 28 oktober 2003 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% met ingang van
4 juli 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.
1.3. Het namens appellante gemaakte bezwaar is door het Uwv ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 december 2005, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.
3.1. In hoger beroep heeft appellantes gemachtigde aangevoerd dat het Uwv ten onrechte heeft geconcludeerd dat de uitkering mocht worden ingetrokken. Hij is van mening dat appellantes beperkingen tot het verrichten van arbeid meeromvattend zijn dan door de bezwaarverzekeringsarts is vastgesteld, zodat onjuiste conclusies zijn getrokken met betrekking tot haar functionele mogelijkheden. In het bijzonder is daarbij verwezen naar de rechterschouderproblematiek.
3.2. De Raad kan appellante in haar stellingen niet volgen en overweegt dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden aan de opvatting van het Uwv dat appellante op de datum in geding, gelet op haar medische beperkingen, in staat was de haar door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen.
3.3. In de zich onder gedingstukken bevindende informatie afkomstig van appellantes huisarts A. van der Lugt en (behandelend) specialisten, de reumatologe dr. M. Hoekstra en neuroloog dr. J.P.P. van Vugt, die op zijn beurt weer verwijst naar informatie van de neurochirurg dr. M. Driesse, de orthopaedisch chirurg dr. A.J.S. Renard, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om over de vaststelling van de medische beperkingen van appellante anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.
3.4. Aan de eigen, niet met nieuwe medische gegevens onderbouwde, mening van appellante met betrekking tot haar gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat zij daaraan gehecht wil zien.
4. Uit het vorenstaande volgt dat moet worden beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2008.
(get.) A.T. de Kwaasteniet.
(get.) A.C.A. Wit.
TM