ECLI:NL:CRVB:2008:BG8324
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Ziektewetuitkering na geschiktheid voor portierfunctie
Appellante, die sinds 2001 een WAO-uitkering ontving wegens diverse lichamelijke en psychische klachten, werd in 2003 herbeoordeeld en geschikt geacht voor de functie van portier/toezichthouder met minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. In 2006 meldde zij zich ziek vanuit een WW-uitkering, waarna het UWV haar ziekengeld stopzette omdat zij geschikt werd geacht voor arbeid.
Appellante maakte bezwaar tegen de beëindiging van haar uitkering, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bezwaar ondanks termijnoverschrijding ontvankelijk was vanwege misleidende informatie van het UWV. Medische informatie, waaronder een verklaring van een neuroloog, gaf onvoldoende aanleiding om het oordeel over haar geschiktheid voor de portiersfunctie te herzien.
De Raad benadrukte dat de Ziektewet geen gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid kent en dat de functie van portier weinig fysieke belasting vereist. Er was geen sprake van toename van beperkingen. Daarom was het standpunt van het UWV dat appellante niet langer ongeschikt was voor arbeid terecht. De rechtbankuitspraak werd bevestigd en de uitkering bleef geweigerd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op Ziektewetuitkering omdat zij geschikt is voor de functie van portier/toezichthouder.