ECLI:NL:CRVB:2008:BG7421
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken directe betrokkenheid
Appellant, geboren in 1930 in Paramaribo, heeft in december 2006 aanvragen ingediend voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer (WUBO) en vervolgingsslachtoffer (WUV). Beide aanvragen werden door verweersters afgewezen omdat niet was komen vast te staan dat appellant direct getroffen was door oorlogsgeweld of vervolging had ondergaan.
De Raad overwoog dat erkenning onder de WUBO vereist dat de aanvrager lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen door handelingen van de Japanse bezetter tijdens 1940-1945. Onder de WUV geldt dat vervolging moet zijn gericht op ras, geloof of Europese afkomst met vrijheidsberoving in kampen of vergelijkbare verblijfplaatsen met permanente bewaking.
Appellant stelde dat hij tijdens de Japanse bezetting internering had ondergaan in een weeshuis te Batavia en later in een huis aan de Boengaweg. De Raad stelde vast dat het verblijf in het weeshuis St. Vincentius en het huis aan de Boengaweg niet berustte op een maatregel van de bezetter en dat er geen sprake was van permanente bewaking of een interneringssituatie.
Daarom kon niet worden vastgesteld dat appellant oorlogsgeweld of vervolging had ondergaan in de zin van de WUBO of WUV. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De beroepen van appellant worden ongegrond verklaard wegens ontbreken van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld of vervolging.