ECLI:NL:CRVB:2008:BG7396
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Weigering WUBO-uitkering wegens niet voldoen nationaliteits- en territorialiteitseisen
Appellant, geboren in 1927 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in april 2006 een WUBO-uitkering aan als burger-oorlogsslachtoffer. De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de nationaliteits- en territorialiteitseisen van artikel 3 van Pro de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Appellant was niet meer in het bezit van de Nederlandse nationaliteit en woonde buiten Nederland.
Appellant voerde aan dat hij in 1950 had gekozen voor de Indonesische nationaliteit vanwege betere arbeidskansen. De Raad overwoog dat de bevoegdheid om wegens klaarblijkelijke hardheid af te wijken van de eisen discretionair is en dat de Raad een weigering om hiervan gebruik te maken slechts kan toetsen op redelijkheid en rechtmatigheid.
De Raad oordeelde dat het verkrijgen van de Indonesische nationaliteit een eigen keuze van appellant was en geen zeer bijzondere omstandigheid vormde die toepassing van de anti-hardheidsbepaling rechtvaardigde. Er waren geen andere bijzondere omstandigheden die tot een andere beslissing konden leiden.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WUBO-uitkering gehandhaafd.