ECLI:NL:CRVB:2008:BG7392

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6696 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 19 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 61 lid 3 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde aanvraag erkenning burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant, geboren in 1934 in voormalig Nederlands-Indië, diende in januari 2006 een aanvraag in voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en toekenning van een toeslag op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Deze aanvraag werd afgewezen omdat niet was vastgesteld dat appellant direct getroffen was door oorlogsgeweld, mede gelet op sociale rapportages en getuigenverklaringen van familieleden.

In januari 2007 diende appellant een hernieuwde aanvraag in, die eveneens werd afgewezen. Verweerster oordeelde dat er geen nieuwe relevante feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven tot herziening van het eerdere besluit. Appellant voerde aan dat de vlucht naar het Julianaziekenhuis onder levensbedreigende omstandigheden plaatsvond, maar dit werd door de Raad niet als zodanig erkend.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het verzoek tot herziening discretionair is en dat toetsing terughoudend is. Omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft ingebracht die het eerdere besluit zouden moeten wijzigen, wordt het beroep ongegrond verklaard. De Raad acht geen reden voor vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten die aanleiding geven tot herziening van het eerdere besluit.

Uitspraak

07/6696 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 4 december 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 23 oktober 2007, kenmerk BZ 7803, JZ/O60/2007, door verweerster te zijnen aanzien genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2008. Appellant is daar in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in 1934 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in januari 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en toekenning van, onder meer, een toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet. Appellant heeft hierbij vooral gewezen op zijn betrokkenheid bij bombardementen op vliegveld Andir in Bandoeng tijdens de Japanse bezetting en de vlucht naar het Julianaziekenhuis in Bandoeng tijdens de Bersiap-periode.
1.2. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 14 september 2006, op de grond dat niet is gebleken dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet. Daarbij is overwogen dat niet is komen vast te staan dat appellant direct betrokken is geweest bij de bombardementen op het vliegveld en ook niet is komen vast te staan dat de vlucht naar het ziekenhuis vanuit een levensbedreigende situatie dan wel onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden. Verweerster is tot dit oordeel gekomen op basis van de haar ter beschikking staande sociale rapportage en de getuigenverklaringen van K.F. Dijkstra en E.H. Dijkstra, beiden broer van appellant. Tegen verweersters besluit van 14 september 2006 heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
2. In januari 2007 heeft appellant zich andermaal tot verweerster gewend met een aanvraag op grond van de Wet. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 27 april 2007 zoals, na gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Hierbij is overwogen dat er geen relevante nieuwe gegevens zijn overgelegd die aanleiding geven tot een herziening van het besluit van 14 september 2006. Daarnaast is overwogen dat de directe betrokkenheid van appellant bij bombardementen nog steeds niet is komen vast te staan en dat met betrekking tot de vlucht naar het Julianaziekenhuis nog immer niet is gebleken dat sprake was van een vlucht vanuit of onder direct levensbedreigende omstandigheden.
3. Het beroepschrift richt zich uitsluitend tegen de weigering om terug te komen op het bij het besluit van 14 september 2006 door verweerster ingenomen standpunt om het meemaken van de bombardementen op vliegveld Andir tijdens de Japanse bezetting en de vlucht naar het Julianaziekenhuis tijdens de Bersiap-periode aan te merken als het getroffen worden door oorlogsgeweld in de zin van de Wet.
4. De Raad heeft de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
4.1. Naar verweerster terecht heeft vastgesteld draagt de hiervoor genoemde aanvraag van januari 2007 het karakter van een verzoek om herziening van het door verweerster eerder genomen besluit van 14 september 2006.
4.2. Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wet, is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat aan verweerster een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de rechter het besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Daarbij staat bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is de vraag centraal of bij het verzoek om herziening dan wel in bezwaar nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, die aan verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit nog niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden om dat besluit te herzien.
4.3. Van gegevens waarin verweerster aanleiding had moeten vinden om haar besluit te herzien is de Raad niet gebleken. Met betrekking tot de bombardementen op vliegveld Andir moet de Raad vaststellen dat appellant bij zijn verzoek om herziening en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek in wezen heeft herhaald wat hij reeds ter ondersteuning van zijn eerdere aanvraag had aangevoerd en derhalve geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft ingebracht die een ander licht werpen op de gebeurtenissen.
4.4. Met betrekking tot de vlucht naar het Julianaziekenhuis heeft appellant aangegeven dat wel degelijk sprake was van levensbedreigende omstandigheden. Het gezin Dijkstra durfde niet via de openbare weg naar het ziekenhuis te lopen uit angst opgepakt te worden door pemoeda’s die het op de Nederlanders gemunt hadden. De vlucht ging door brandgangen achter de huizen die begroeid waren met doornachtig onkruid en bezaaid lagen met afval en glasscherven.
De Raad kan zich voorstellen dat door appellant deze vlucht als angstig en gevaarlijk is ervaren. De door hem genoemde omstandigheden wijzigen evenwel niet het door verweerster eerder vastgestelde feit dat sprake is geweest van een vlucht uit voorzorg naar een veiliger omgeving, die gezien naar de omstandigheden waaronder deze vlucht plaatsvond niet is te beschouwen als met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden.
5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde terughoudende toets van de Raad kan doorstaan en dat het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.
6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 december 2008.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) M. van Berlo.
HD