ECLI:NL:CRVB:2008:BG6142

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2722 BPWZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffersKB van 6 september 1949KB van 8 april 2003Art. 3.1 Wet IB 2001Art. 5.2 Wet IB 2001
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling kortingsinkomen bij Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers

De zaak betreft een beroep van de erven van een betrokkene tegen een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad over de vaststelling van het kortingsinkomen in het kader van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers.

Verweerster had vastgesteld dat over de jaren 2001 tot en met 2003 een bedrag te veel aan pensioen was uitbetaald. Het geschil richt zich op de wijze waarop het kortingsinkomen over 2002 en 2003 is vastgesteld, waarbij appellanten stelden dat negatieve inkomsten uit verhuur van onroerend goed niet zijn verrekend met positieve inkomsten uit sparen en beleggen.

De Raad overweegt dat het begrip kortingsinkomen volgens het KB van 6 september 1949 ook de feitelijke inkomsten uit sparen en beleggen omvat, waaronder het rendement uit verhuurde onroerende zaken valt. Aangezien de inkomsten uit verhuur negatief waren, had verweerster deze moeten verrekenen met positieve andere inkomsten. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd en verweerster wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Daarnaast veroordeelt de Raad verweerster in de proceskosten van appellanten en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerster moet een nieuw besluit nemen waarbij negatieve inkomsten uit verhuur worden verrekend met positieve inkomsten uit sparen en beleggen.

Uitspraak

07/2722 BPWZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de erven van [naam betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (hierna: appellanten),
en
de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 20 november 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 28 maart 2007, kenmerk 9718, (hierna: bestreden besluit) waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (hierna: Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Na daartoe van partijen toestemming te hebben gekregen, heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. Aan [naam betrokkene] (hierna: betrokkene), geboren in 1910 en laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], is op grond van de Wet een buitengewoon pensioen toegekend.
Na het overlijden van betrokkene op 27 april 2005 heeft verweerster - naar aanleiding van door de Belastingdienst aangeleverde gegevens over de jaren 2001 tot en met 2003 - geconstateerd dat de inkomsten uit vermogen van betrokkene vanaf 1 januari 2002 veel hoger waren dan de schatting waarmee verweerster rekening heeft gehouden. Ook uit de door appellanten ingestuurde opgave van de inkomsten uit vermogen over het jaar 2004 bleken de inkomsten veel hoger te zijn dan verweersters schatting over dat jaar.
2. Naar aanleiding van de door haar ontvangen gegevens heeft verweerster bij haar berekeningsbeslissing van 30 juni 2005 de verrekenbare inkomsten over de jaren 2001 tot en met 2003 definitief vastgesteld en over het jaar 2004 voorlopig nader vastgesteld. Bij de vaststelling is gebleken dat over de periode 1 januari 2001 tot 1 januari 2005 een bedrag van € 41.010,20 te veel aan buitengewoon pensioen is uitbetaald. Het daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerster bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Het beroep is gericht tegen de wijze waarop verweerster het “kortingsinkomen” over 2002 en 2003 heeft vastgesteld. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
3.1. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wet worden met inachtneming van het bepaalde in dat artikel bij algemene maatregel van bestuur regelen vastgesteld betreffende de inkomsten welke voor verrekening met het buitengewoon pensioen in aanmerking komen.
3.2. In artikel 1 van Pro deze algemene maatregel van bestuur, het KB van 6 september 1949, laatstelijk gewijzigd bij KB van 8 april 2003, Stb. 2003, 164, is bepaald dat onder “kortingsinkomen” wordt verstaan - voor zover hier van belang - het totaal van het inkomen uit werk en woning, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet IB 2001 en de feitelijke inkomsten uit sparen en beleggen.
3.3. Appellanten stellen zich op het standpunt dat verweerster het kortingsinkomen, zoals bedoeld onder 3.2, onjuist heeft vastgesteld. Naar hun oordeel heeft verweerster bij haar berekeningen ten onrechte niet in aanmerking genomen de feitelijke inkomsten uit de verhuur van het onroerende goed van betrokkene welke inkomsten, aangezien deze over de jaren 2002 en 2003 negatief waren, hadden moeten worden verrekend met de positieve andere feitelijke inkomsten uit sparen en beleggen.
3.4. De Raad onderschrijft dit standpunt van appellanten. Uit de nota van toelichting bij het KB van 8 april 2003, houdende wijziging van het KB van 9 augustus 1948 tot uitvoering van artikel 12 van Pro de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. I 362) en van het KB van 6 september 1949 tot uitvoering van artikel 11 van Pro de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. J418) in verband met de inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001, komt naar voren dat de reden voor het bij de bepaling van het kortingsinkomen buiten beschouwing laten van de inkomsten uit de boxen 2 (winst uit aanmerkelijk belang) en 3 (belastbaar inkomen uit sparen en beleggen) is geweest dat men alleen de feitelijk door de pensioengerechtigde genoten inkomsten tot de verrekenbare inkomsten heeft willen rekenen. Dit omdat veel pensioengerechtigden er financieel op achteruit zouden gaan indien het in artikel 5.2 van de Wet IB 2001 opgenomen forfaitaire rendementspercentage (van 4%) als uitgangspunt voor de verrekening van de inkomsten uit sparen en beleggen zou worden gehanteerd.
Dat tevens beoogd zou zijn voor de toepassing van het KB een andere invulling te geven aan het begrip sparen en beleggen dan in Afdeling 5.1 van de Wet IB 2001 omschreven, blijkt uit die Toelichting niet.
3.5. Op grond van artikel 5.3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001, dient het rendement uit het bezit van onroerende zaken (niet zijnde de eigen woning) te worden aangemerkt als belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Tussen partijen is niet in geschil dat het onderhavige vastgoed niet de eigen woning betreft, maar vastgoed dat aan derden wordt verhuurd.
Gelet op de in 3.2 gegeven definitie van “kortingsinkomen” dient ter bepaling daarvan rekening te worden gehouden met de feitelijke inkomsten uit voormeld vastgoed. Aangezien deze feitelijke inkomsten in de referentiejaren 2002 en 2003 onweersproken negatief waren, had verweerster deze inkomsten moeten verrekenen met positieve andere feitelijke inkomsten uit sparen en beleggen.
4. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit geen stand kan houden.
5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding om verweerster op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 28 maart 2007, kenmerk 9718;
Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellanten met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 322,-;
Bepaalt dat verweerster aan appellanten het door hen betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 november 2008.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M.J.A. Reinders.
HD