ECLI:NL:CRVB:2008:BG5867
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidskundige grondslag
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering te herzien van 80-100% arbeidsongeschiktheid naar 25-35%, waarbij het bezwaar deels werd toegewezen tot 35-45%. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat zij zich kon verenigen met de medische en arbeidskundige onderbouwing.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV zijn beperkingen te licht had vastgesteld, met name met betrekking tot concentratie en aandacht, en dat de rechtbank ten onrechte het beroep ongegrond had verklaard. Tevens werd aangevoerd dat de volledige motivering van de arbeidskundige grondslag pas in de beroepsfase was gegeven, waardoor appellant geen vergoeding van proceskosten kreeg.
De Raad overwoog dat de door de psychiater van appellant ingeschakelde deskundige het standpunt van het UWV onderschreef en dat de psychologische test niet relevant was voor de niet-voorgehouden functie. Wel oordeelde de Raad dat het bestreden besluit vernietigd moest worden omdat de toelichting op de geschiktheid van de functies pas in de beroepsfase was gegeven en daarmee niet voldeed aan eisen van inzichtelijkheid en toetsbaarheid.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep, inclusief vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd met instandhouding van de rechtsgevolgen.