ECLI:NL:CRVB:2008:BG5235
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- J. Riphagen
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde AAW/WAO-uitkering en boete wegens schending mededelingsplicht
Appellant ontving sinds 1991 uitkeringen op grond van de AAW en WAO, later de WAZ. Na een onderzoek naar inkomsten uit arbeid, gebaseerd op een rapport werknemersfraude, besloot het Uwv tot terugvordering van onverschuldigde uitkeringen over de periode 1995-2004 en legde een boete op wegens het niet tijdig melden van inkomsten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat geen dringende reden bestond om van terugvordering af te zien. In hoger beroep stelde appellant dat de terugvordering onzorgvuldig tot stand was gekomen en dat ook andere redenen dan dringende reden tot afzien konden leiden.
De Raad oordeelde dat de kortings- en intrekkingsbesluiten onaantastbaar zijn en dat terugvordering een wettelijke plicht is, met slechts één uitzondering: de dringende reden. Deze was niet aannemelijk gemaakt. Ook werd geen strijd met zorgvuldigheids- of rechtszekerheidsbeginsel vastgesteld.
Ten aanzien van de boete bevestigde de Raad dat appellant zijn mededelingsplicht heeft geschonden en dat de boete terecht is opgelegd. De boete was correct vastgesteld en er waren geen feiten of omstandigheden die matiging of afzien van boete opleggen rechtvaardigden.
De Raad bevestigde daarmee de aangevallen uitspraken van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering en de boete en wijst het hoger beroep af.