ECLI:NL:CRVB:2008:BG5210
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- J. Riphagen
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid met oogbeperkingen
Appellant viel in 2002 uit voor zijn werk en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Hij maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat zijn beperkte zicht, veroorzaakt door een lui oog, hem belemmerde bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, waarbij zij zich baseerde op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had verwezen naar een onderzoek ter zitting dat niet had plaatsgevonden en dat zijn medische beperkingen onvoldoende waren meegewogen.
De Raad oordeelde dat de verwijzing naar het onderzoek ter zitting een kennelijke misslag was, maar dat dit de uitspraak niet aantastte. Medische stukken toonden een lui oog met beperkingen bij diepte zien op korte afstand, maar dit leidde niet tot twijfel over de beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts. De Functionele Mogelijkhedenlijst werd in hoger beroep aangepast en nader toegelicht, wat voldoende onderbouwing bood voor de schatting van de arbeidsongeschiktheid.
De Raad vernietigde het eerdere oordeel over het tweede besluit, verklaarde het beroep gegrond en bevestigde de rechtsgevolgen van het aangepaste besluit. Tevens veroordeelde de Raad het Uwv tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid wordt gegrond verklaard en het besluit wordt vernietigd, met in stand blijvende rechtsgevolgen en vergoeding van proceskosten.