ECLI:NL:CRVB:2008:BG5183
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens ontbreken verzekering bij arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam geweest als medewerker in een restaurant en later als schoonmaker, vroeg om een WAO-uitkering met terugwerkende kracht vanaf maart 1984. Het UWV had eerder geweigerd een WAO-uitkering toe te kennen omdat appellant op het moment van arbeidsongeschiktheid niet verzekerd was. Appellant stelde dat zijn arbeidsongeschiktheid eerder was ingetreden en dat hij nog verzekerd was op dat moment.
De rechtbank oordeelde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening van het besluit rechtvaardigden. De verklaringen van artsen en instellingen die appellant overlegd had, werden niet als nieuw of relevant beschouwd. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en stelde dat het UWV terecht het verzoek had afgewezen op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad overwoog ook dat het grote belang van appellant bij de uitkering niet tot een andere beoordeling leidt. Het verzoek om terug te komen van eerdere besluiten kon niet worden gehonoreerd omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens ontbreken van verzekering bij arbeidsongeschiktheid en het ontbreken van nieuwe feiten.