ECLI:NL:CRVB:2008:BG4669
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor passende arbeid
Appellant, werkzaam als productiemedewerker in de tuinbouw, viel uit wegens linkerschouderklachten en meldde zich ziek per 3 juni 2004. Na een WAO-beoordeling in 2003 werden beperkingen vastgesteld, maar het UWV weigerde een WAO-uitkering omdat appellant passend werk kon verrichten. In 2006 oordeelde het UWV dat appellant geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij geschikt was voor de functie van printmonteur binnen de WAO-functies.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn klachten waren verergerd en dat er onvoldoende rekening was gehouden met bijkomende beperkingen, waaronder taalbeheersing. De Raad overwoog dat onder "zijn arbeid" de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid wordt verstaan, en dat de passendheid van WAO-functies niet ter discussie staat. Medisch onderzoek toonde aan dat appellant ondanks operatie en klachten geschikt bleef voor schoudersparende arbeid.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht het recht op ziekengeld had beëindigd en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld per 6 januari 2006 wordt bevestigd als beëindigd.