ECLI:NL:CRVB:2008:BG3946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering wegens onvoldoende objectief-medisch substraat voor urenbeperking
Appellante, voormalig assistent-inkoper, meldde zich in oktober 1999 ziek met psychische klachten en een post whiplashsyndroom na verkeersongevallen in 1992 en 2000. Vanaf oktober 2000 ontving zij een WAO-uitkering, aanvankelijk voor 80-100% arbeidsongeschiktheid, later herzien naar 55-65% met een urenbeperking van circa 20 uur per week. In januari 2006 werd de uitkering verder verlaagd naar 15-25%, waarbij geen urenbeperking meer werd aangenomen.
De rechtbank oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, met voldoende medische informatie, waaronder neuropsychologisch onderzoek. Er was geen objectief-medische onderbouwing voor het handhaven van een urenbeperking. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij meer beperkingen had en een urenbeperking tot halve dagen nodig had, maar kon dit niet objectief onderbouwen.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en het UWV. Ook aanvullende verklaringen van revalidatiecentrum Het Roessingh en de huisarts boden geen concreet medisch bewijs voor meer beperkingen. De Raad concludeerde dat de medische en arbeidskundige grondslagen van het besluit juist waren en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de WAO-uitkering zonder urenbeperking wegens onvoldoende objectief-medisch substraat.