ECLI:NL:CRVB:2008:BG3923
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV tot verrekening onverschuldigd betaalde WAO-uitkering met lopende WW-uitkering
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het UWV om een bedrag van €4.606,04 aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering in termijnen te verrekenen met zijn lopende WW-uitkering. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het bezwaar van appellant tegen het eerdere terugvorderingsbesluit geen onderwerp van geschil kon zijn, omdat alleen de wijze van invordering ter discussie stond.
Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV te lang had gewacht met het versturen van het verrekeningsbesluit en dat de rechtbank onvoldoende op zijn bezwaren was ingegaan. Ook betwistte hij de toetsing aan artikel 14 van Pro de Regeling, waarin de hardheidsclausule is opgenomen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat het besluit voldoende gemotiveerd en niet onredelijk laat was genomen.
De Raad stelde vast dat er geen bijzondere individuele omstandigheden waren die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigden. Verder bevestigde de Raad dat de omvang van het geding beperkt was tot de wijze van invordering en dat het beroep onvoldoende gronden bevatte om het besluit te vernietigen. De uitspraak van de rechtbank wordt daarom bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot verrekening van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering met lopende WW-uitkering wordt bevestigd.