ECLI:NL:CRVB:2008:BG3686
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkering vervolgingsslachtoffer wegens niet voldoen aan vervolgings- en nationaliteitsvereisten
Appellant, geboren in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in augustus 2006 een periodieke uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat zijn vader tijdens de Japanse bezetting als krijgsgevangene was omgekomen. Verweerster wees de aanvraag af omdat appellant geen vervolging in de zin van de Wet had ondergaan en niet voldeed aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats.
De Raad overwoog dat onder vervolging wordt verstaan vrijheidsberoving door de vijandelijke bezettende macht gericht tegen personen van Europese afkomst of gezindheid, met het oog op beëindiging van het leven of permanente bewaking. Appellant had geen vrijheidsberoving ondergaan. Ook voldeed hij niet aan de nationaliteits- en woonplaatsvereisten die voor uitkering gelden.
De Raad oordeelde dat verweersters weigering om appellant met de vervolgde gelijk te stellen op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet terecht was. Er was geen sprake van een klaarblijkelijke hardheid die gelijkstelling zou rechtvaardigen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de uitkeringsaanvraag blijft in stand.