ECLI:NL:CRVB:2008:BG3684
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkering vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken vrijheidsberoving
Appellant diende in juli 2006 een aanvraag in voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Verweerster wees de aanvraag af omdat niet was gebleken dat appellant vervolging had ondergaan zoals bedoeld in de Wet. Appellant stelde dat hij tijdens de Japanse bezetting weliswaar niet officieel geïnterneerd was, maar feitelijk hetzelfde leed als geïnterneerden, onder meer doordat zijn familie onder strenge bewaking leefde en zijn moeder hetzelfde werk verrichtte als vrouwen in kampen.
De Raad overwoog dat vervolging in de Wet wordt gedefinieerd als vrijheidsberoving door de vijandelijke bezetter in kampen of gevangenissen met het oog op levensbeëindiging of permanente bewaking. Uit de stukken bleek niet dat appellant dergelijke vrijheidsberoving had ondergaan. Bewaking door Japanse militairen in de nabijheid van het huis van appellant werd niet gelijkgesteld aan internering in een bewaakt kamp. Ook was niet gebleken dat appellant maatregelen van de bezetter moest vrezen vanwege zijn Europese afkomst of gezindheid.
Verder oordeelde de Raad dat de omstandigheden waaronder appellant leefde, hoewel kommervol, algemene oorlogsomstandigheden waren die niet tot gelijkstelling met vervolgden leidden. Het feit dat zijn vader krijgsgevangen was genomen, maar niet in zijn aanwezigheid en later terugkeerde, gaf ook geen aanleiding tot gelijkstelling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
De Raad wees tevens een vergoeding van proceskosten af op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant geen vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan en niet gelijkgesteld kan worden aan een vervolgd persoon.